• Home
  • Walter Maes

4

Aug

Darlingen

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Walt,

 

Betreft: Thierry’s hoekje

 

Als bijlage een Kortrijks nostalgietje, vol zuchten en winden, open en tolerant, met een strijdbaar kantje.

 

Groetjes,

Thierry 

 

 

“MET KORTRIJK HEB IK EEN HAAT-LIEFDEVERHOUDING!”

 

 

“Met Kortrijk heb ik een haat-liefdeverhouding. Niet zozeer om de nare herinneringen aan mijn verblijf daar als scholier, maar veeleer om de mentaliteit van vele “Kortrijkzanen”. Ook Conscience was dat niet ontgaan. In zijn boek ‘De Burgers van Darlingen’ schrijft hij over hun typisch burgerlijke geest, met veel aandacht voor geldkwesties en status. Hij had geen goed woord over voor zijn Kortrijkse periode die hij beschreef als een ballingschap in een klein stadje “vol vooroordelen, beheerst door een financiële aristocratie, die haar medeburgers minacht, met een ongelooflijke verwaandheid bezield is, zich opsluit in woningen somber en naar als kloosters, en treurig als lag in elk huis een dode”.

Dat is fel overdreven. Ik denk dat wij - die van buiten Kortrijk kwamen - een reactie koesterden van selfdefence: wij waren verrast en verwonderd om zoveel savoir-vivre dat wij onze achterstand wegmoffelden achter hopen kritiek. Die houding is nogmaals gebleken bij de fusiegesprekken in 1976. Laat het mij zo formuleren: Kortrijk heeft veel te bieden, maar soms moet je de eigenwijsheid van haar burgers erbij nemen.”

 

Toen ik 12 werd (na het zesde leerjaar aan de gemeentelijke jongensschool te Wevelgem) werd ik voor vier (lange) jaren in quarantaine geplaatst. Ik werd intern in het Sint-Amandscollege te Kortrijk. We schreven 1 september 1952. Van Kortrijk kende ik toen alleen de Sarma en de Teco waar een blinde pianist regelmatig optrad.

De eerwaarde heren overtuigden mijn vader dat ik beter het zevende leerjaar volgde. Waarom? Omdat zij die van buiten de stad kwamen, niet slim genoeg waren om naar het 6de middelbare over te stappen. Een geintje natuurlijk, ze wilden hun zevende leerjaar bevolken, kwestie van opdrachten.

Vooral de slaapcouchettes zijn mij bijgebleven. Kleine kamertjes afgezet met houten schutten. Ik sliep naast “Wisty”, een jongetje wiens mama een bordeel openhield op de weg Kortrijk-Gent. Hij had een gaatje gemaakt in het schot en we konden gezellig maar héél stilletjes met elkaar praten. Of toch fluisteren. Wat goed deed, omdat het zo rebels overkwam.

Ik werd 10de op een 30-tal leerlingen. Niet slecht voor een werkmanskind.

 

Ja, je werd afgerekend op je afkomst toen. Mijn vader had mij ten strengste verboden te zeggen dat hij een socialist was. Om bij de high society te horen pochte ik dat mijn vader een vliegtuig had. Vaak vloog hij over (riep ik met mijn vinger in de lucht).

Eenmaal in de 6des ontpopte ik mij tot een klein duiveltje. Ik vloog achteraan in de klas en moest plaatsnemen op een oude bank die er was blijven staan na de renovatie. Dat vond ik minder erg dan wat er gebeurde met domme kindjes die lange oren opgezet kregen.

Ik had wel de sympathie van E.H. Dornez. Hij werd “de poes” genoemd. Toen hij nogal dikwijls in de refter te dicht bij hetzelfde nonnetje ging staan, werd er oorverdovend gemiauwd door de (stoute) kinderen. Ik herinner mij ook goed “Korkie”, onze surveillant (van het pensionaat). Een sportieve, soms onbeschofte, maar van inborst goede kerel die de voetbalcompetitie organiseerde. Wij hadden om de maand een partiële proef voor één bepaald vak. Soms legde ik die proef onberispelijk af en werd ik toen door hem en plein public gelukgewenst. Soms had ik een nul en toen schold hij mij in het openbaar uit voor domoor en suggereerde dat ik maar beter mijn bezatse zou nemen.

In het college heb ik vooral leren voetballen, leren liegen in de biechtstoel en een sterk samenzweerderig gedrag ontwikkeld.

Nog iets waar ik niet eens toen de draagwijdte van begreep: vriendjes van mij mochten geregeld naar de kamer van hun “geestelijke leider” en werden daar getrakteerd op gebakjes.

 

Och ja, ik wil niet natrappen. Het college was een goede school in beide betekenissen: goed onderwijs én een goede leerschool. In het 6de en het 5de werd ik 4de of 5de van de klas. Toen ik in de 5des zat, werd ik op een morgen uit de (dagelijkse) mis gehaald door E.H. Jan Carreer, surveillant van het internaat. Hij beweerde dat ik “lelijke manieren” had gehad op de slaapzaal. Samen met anderen had ik in een slaapcel een “orgie” georganiseerd. Toegegeven, ik was geen “braaf jongetje” meer, maar daar wist ik toen niets van. Hoe harder ik dat ook uitriep, hoe harder hij mij met zijn gordelriem sloeg op mijn blote benen. Ik moest vooraf op de leuning van een zetel gaan liggen. Toen de internen dat hoorden, organiseerden zij een zitstaking: niemand trok dat lesuur naar de klas. Van solidariteit gesproken! Toen mijn vader dat vernam, nam hij wijselijk het besluit om mij na de lagere middelbare naar het Koninklijk Atheneum te sturen.

 

Op het Atheneum viel ik “van de hel in de zevende hemel”: extern en met meisjes in de klas. Opgelet, een primeur: het waren de eerste meisjes die vanuit het lyceum bij jongens terechtkwamen. En het was er aan te zien! Ik werd verliefd op drie stuks ineens: een zwartje (zwart haar bedoel ik), met de look van een indiaantje (later werd ik bevriend met haar oudere zus), haar vriendinnetje die echter duidelijk liet blijken dat zij mij te min vond (een boerenjongen van den buiten) en een meisje uit mijn eigen gemeente die nog aan het Lyceum les volgde en met wie ik naar school reed. Met de fiets naar Kortrijk, elke dag, heen en terug. Resultaat van mijn liederlijk leven: overzitten! “Wat denkt die collegepiet wel,” moeten de leraars toen hebben gedacht, “we zullen hem eens een lesje geven!”

 

O ja, stel je voor: van intern naar extern, van streng jongensregime naar mixte klasjes, van gesloten naar een open gemeenschap, van gevangenschap naar absolute vrijheid. Wat ik daar toen miste, was het gevoel van solidariteit dat ik op het college wel ervoer. Maar ja, waarom nog samen rebelleren tegen het regime? Waarom nog samen toneel spelen? Waarom samen gaan voetballen? Iedereen trok na school naar huis of ging op café in de stationsbuurt. Of het onderwijs hier of daar beter of slechter was? Neen, wel integendeel: op het college hadden wij vaak te maken met leerkrachten die net voor hun legerdienst een jaartje les kwamen geven. Niet bevorderlijk voor de kennis en de tucht.

 

Of ik gelovig was? Of ik nog gelovig ben? Toen ik in het college belandde, wist ik alleen dat mijn moeder adoratie had voor Sint-Antonius, broeder Isidoor en Don Bosco. Ik deed dan ook een paar keer per jaar een novene te hunner ere. Negen dagen elke avond in mijn bedje las ik een gebed. Om gezond te blijven. Om te slagen voor de examens. Om niet gepest te worden. Iedere dag naar de mis, elke zondag driemaal ter kerke. Ik werd een fel bevraagde misdienaar. In één, twee, drie was de verplichte ochtendmis opgedragen. Toen de paters tijdens de retraite kwamen preken, kon ik wel even aarzelen over mijn toekomst. Maar algauw legde ik boven mijn “geestelijke lectuur” de ‘De Leeuw van Vlaanderen’ of een ander strijdlustig boek.

In het Atheneum volgde ik de lessen zedenleer. Veeleer uit nieuwzucht dan uit overtuiging. Die overtuiging kwam echter snel: ik vond het hoog tijd om vrij te kunnen denken en handelen. Vooral de lectuur van Spinoza betekende een keerpunt. Spinoza zei dat alles natuur was en hij vereenzelvigde Natuur met God. Hij zei dat God alles was, en dat alles in God was. Daarmee kon ik mij jaren verzoenen.

 

Ja, ik heb nooit onder stoelen of banken gestoken dat ik maçon ben. In 1966 was ik één van de jongste leden van de Loge in Vlaanderen. Een collega aan de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs (voorheen Rijksmiddelbareschool) had mij toch ervan kunnen overtuigen dat “God niet bestond”. Die vraag kwelde mij al vele jaren. Maar ik vond nergens houvast. Of mensen die mee-dachten. Ik werd een publieke vrijzinnige: vignet op de wagen, voorzitter van de Oudervereniging voor de Moraal, de eerste gedetacheerde leerkracht van Humanistische Jongeren Service, een vereniging die cursussen, sportkampen, kinder- en jeugdateliers en reizen organiseerde voor de (vrijzinnige) jeugd. Toen al beviel mij die opsplitsing, verkleuring, verzuiling van het vrije denken niet. Waarom aan gettovorming doen? Vrij denken is een individuele beleving, zoals (voor mij) godsdienst en religie. Die kanteling werd niet door alle vrijmetselaars toegejuicht. En ik evolueerde verder in de richting van het agnosticisme. Mijn devies werd: “Wat je (nog) niet met zekerheid weet, dat Onbekende, moet je een kans geven!”

 

Natuurlijk geloof ik in de wetenschap. Kun je echter over waarheid in de wetenschappen spreken? Sommige wetenschapsfilosofen zeggen dat wetenschappelijke theorieën gelden zolang ze niet worden weerlegd. Wat niet betekent dat zij per se waarheid verkondigen. In plaats van revoluties zien we vandaag meer een geschiedenis van continue vooruitgang. De wetenschap lijkt zich steeds bij te schaven en een zelfregulerend systeem te zijn.

Wat is dé waarheid? Bestaat er een waarheid? Indien deze bestaat, wie kent haar? De wetenschap? De filosofie? Een bepaalde godsdienst? Stel dat een bepaalde godsdienst de waarheid in pacht zou hebben, welke is dat? Het christendom, de islam, het boeddhisme, het brahmanisme of het Chinese universalisme?

Welke godsdienst staat het dichtst bij God? Of bestaat er geen God en is de mens weinig meer dan een geëvolueerde aap? Waarom leeft een mens? Is het leven een test waarna hij voorgoed naar de hemel of naar de hel gaat? Of zijn wij hier op aarde om onze soort in stand te houden? Bestaan er nog andere redenen voor ons verblijf hier op aarde? Dit zijn vragen die mij bezighouden.

 

Ja, ik schrijf aan een essay dat deze problematiek behandelt. Luister, je bent ‘voor of tegen God’, maar nooit ‘zonder’ God. God definiëren kan ik niet. Bovendien laat ik mij niet stigmatiseren.’Het Goddelijke’ is een voorzichtige omschrijving. Het spirituele biedt mij mogelijkheden. Het beperkt echter mijn vrijheid (van denken en handelen) niet.

Dit essay over de wetenschap van het spirituele is voor mij een uitzonderlijk boek. Om velerlei redenen. In de eerste plaats wil ik komaf maken met mijn imago van “stupid atheïst”. Zowel binnen de (een soort van) vrijmetselarij als in de profane wereld wordt verondersteld dat alle leden van dit genootschap godloochenaars zijn. Bovendien wens ik niet opnieuw een “vals insigne” te worden opgespeld, zoals “bekeerde” of “(licht)gelovige” of “geprofeste”. Ik probeer voor mezelf en voor de lezers een verhelderend beeld te schetsen van de spirituele wereld. Hierbij heb ik naar affiniteiten gezocht tussen spiritualiteit en de principes van het vrij onderzoek. Ik ben er van overtuigd dat religie, spiritualiteit en wetenschap elkaar niet in de weg staan. Iedereen of welk instituut ook die het vlot verloop van de relatie tussen “alle zoekende mensen” verstoort, is voor mij nefast.

 

Iets helemaal anders: reizen. Ik heb altijd graag gereisd. Toen ik mij na 2000 terugtrok uit het actieve leven, zette ik een stap opzij, ging onwaarschijnlijk veel reizen met mijn favoriete muze (zo noem ik vaak mijn vrouw). Ook verbleven wij lange periodes in Frankrijk om er te genieten en proberen te overleven.

Ik ben altijd een plannenmaker geweest, hoor, ik verzon mensen en dingen, bouwde luchtkastelen, reisde de wereld rond in 7 dagen, tartte mijn verbeelding, dronk met mijn vrienden ad fundum en rookte hun sigaretten.

“Ik word nooit ouder dan twintig jaar,” schreef ik in een gedicht.

Ik voel dikwijls de behoefte om rustig afstand te nemen van de zaken en van de kleine menselijke kantjes. Is mijn startpunt de mens met al zijn fouten en gaven, dan wil ik diezelfde mens ook de nodige vrijheid gunnen om zichzelf te blijven. Dat afstand nemen kan soms exuberante vormen aannemen. Mijn voortdurende rusteloosheid (het steeds plannen maken voor nieuwe projecten) dwingt mij soms tot een “vlucht”. Dan loop ik het land uit: een ander zou zeggen dat hij op reis gaat; een reis die enerzijds moet zorgen voor enige ontspanning, maar die mij anderzijds dan weer inspireert tot nieuwe gedichten, nieuwe romans, nieuwe inzichten, nieuwe projecten.

 

Ja, er zijn nog plekken in Kortrijk die herinneringen oproepen of die mij beroeren. Ik denk aan het Groeningestandbeeld, - ik ben al sinds mijn collegetijd een fervente Vlaming die zich echter afzet tegen de rechtse, geïndoctrineerde, op revanchebeluste kliek die zich nestelt in het VB.

Ik denk aan de cafés “Piet Hein” en “De Tempelier”, aan “Bossuwé” aan het station waar wij zakken friet verorberden en meters frikadellen.

 

Thierry Deleu

no comment

3

Mar

Klaprozen en Kamermuziek

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

UITNODIGING

VOOR VRIENDEN EN TROUWE LEZERS

 

“Ik zou dolgraag hebben dat jij erbij bent!”

(Thierry)

 

 

10 VLAAMSE EN NEDERLANDSE DICHTERS GEBUNDELD IN

 

 

KLAPROZEN EN KAMERMUZIEK

 

 

ONDER WIE VIER UIT DE WESTHOEK

Thierry Deleu (Oostduinkerke), Jenny Dejager (Lo-Reninge), Floor Deroo (Ieper) en Fernand Florizoone (Koksijde)

 

10 Vlaamse en Nederlandse dichters werden geselecteerd door Hannie Rouweler en Thierry Deleu voor de Vlaamse Demer Uitgeverij.

Een prestigieuze bundel met gedichten van Fernand Florizoone, Jenny Dejager, Paul Gellings, Thierry Deleu, Marleen De Smet, Joris Iven, Bert Bevers, Floor Deroo, Guy van Hoof en Hannie Rouweler.

 

De 10 dichters zijn een voor een gelauwerde poëten in binnen- en buitenland.

Klaprozen en kamermuziek is een nieuwe uitgave van Demer Uitgeverij!

 

VOORSTELLING:

Op zaterdag 20 maart 2010 in de Kok-pit van het nieuwe gemeentehuis in Koksijde, Zeelaan 333, om 11 u.

 

* Welkom pr cultuur, Ilse Chamon.

* Welkomstgroet burgemeester & parlementslid Marc Vanden Bussche (eventueel - hangt van hemzelf af).

* Overhandiging eerste ex. aan de burgemeester door Thierry Deleu.

* Thierry Deleu leidt de 10 dichters kort in.

* Dichters Fernand Florizoone, Joris Iven, Marleen De Smet en Bert Bevers en Paul Gellings lezen elk één gedicht.

* Voordrachtkunstenares, Ilse Chamon, leest van de dichters uit de Westhoek Jenny Dejager, Thierry Deleu, Floor Deroo en Fernand Florizoone (nogmaals) één gedicht voor.

* Thierry Deleu geeft korte uitleg over afhalen/verkoop boeken

* Ilse Chamon nodigt uit tot de receptie

* Receptie

 

Je kunt nu al bestellen.

Het boek kost 15.00 € (verzending excl.) en 17 € (verzending incl.)

Je kunt bestellen bij Thierry Deleu:

000-0900214-54 van Thierry Deleu, 8670 Oostduinkerke (0478/745498)

 

Op verzoek van Demer Uitgeverij stelden Thierry Deleu en Hannie Rouweler deze bundel samen. Zij selecteerden op kwaliteit en originaliteit. Leeftijd, man/vrouw, afkomst speelden hierbij geen rol. Uit de geselecteerde namen kun je opmaken dat naast bekende (lees: gelauwerde) dichters ook opkomend talent werd opgenomen.

 

Thierry Deleu

Hannie Rouweler

no comment

17

Feb

Liefde en Dood

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

 

Kan liefde zó groot zijn als in de zesde roman van

 

Thierry Deleu

 

LIEFDE EN DOOD

op Sint-André

 

Razor’s Edge Editions

 

‘Liefde en dood op Sint-André’ is een fictieautobiografie (neologisme). Het verhaal gaat over het leven en de liefde van een bijzonder koppel dat niet gespaard wordt van ziekte en dood.

 

 

Prijs: 18 € (verzendkosten incl.)

Boekhandelkorting 30%

Over te schrijven op 000-0900214-54 van Thierry Deleu, Oostduinkerke (België)

IBAN BE42 0000 9002 1454

BIC BPOTBEB1

 

no comment

13

Feb

‘Dichters dromen lucide’

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

AANKONDIGING

Het Prieeltje Diest brengt nieuw e-book uit van Thierry Deleu

DICHTERS DROMEN LUCIDE


10 JAAR NEDERLANDSTALIGE POËZIE -
EEN EIGENGEREIDE KEUZE

Thierry Deleu schreef een gefundeerd essay over het laatste decennium Nederlandstalige poëzie. Zelf noemt hij het een eigengereide keuze.
Hij bespreekt de poëzie van Bert Bevers, Philippe Cailliau, Job Degenaar, Jenny Dejager, Frans Depeuter, Christine D’haen, Lies Van Gasse, Bärbel Geijsen, Tine Hertmans, Joris Iven, Frans Kuipers, Jan Lauwereyns, Bert Lema, Mark Meekers, Edith Oeyen, Francis de Preter, Eric Rosseel, Xavier Roelens, Hannie Rouweler, Ina Stabergh, Peter Theunynck, Joris Maurits Vanhaelewyn en François Vermeulen

Thierry Deleu is naast dichter en romancier ook een gewaardeerd recensent van poëzie. Hij publiceerde onder andere de essays Een literaire ontmoeting met André Velghe (1998), Ik zou liegen als ik het anders zei (2001), Guy van Hoof, dichter zonder kroon (2002).
Hij is (was) recensent bij de tijdschriften en e-zines: 8Weekly (N), Ambrozijn, Boulevard, Curtricke, De Geletterde Mens, De Verfpot, Evocatief, Gierik-NVT, Het muzenkoeriertje, Het Prieeltje, Kreatief, Leestafel (N), Leespunt, Mandragora, Meander (N), OpSpraak (N), Persoon & Gemeenschap, Schoon Schip (N), Ticket Noord, Verlaine (N), Weirdo’s en Writers Block magazine (N).

In zijn “Ten geleide.” schrijft hij (ik citeer):
“Nog altijd zoeken de dichters het dicht bij huis, het navelstaren wordt wel eleganter opgediend.
Algemeen is schrijven is voor de meeste schrijvers en dichters ontsnappen uit de rauwe werkelijkheid, ver weg van desillusies, agressie en domheid. Schrijven is ook afrekenen met clichés, (waan)beelden, foute interpretaties, verkeerd imago, opdringerigheid, overregulering. Therapeutisch? Ja, zeker? Schrijven is afreageren. Schrijven is ook een nieuwe werkelijkheid creëren waar het aangenaam is om te vertoeven, waar personages opduiken die je anders nooit zou ontmoeten, waar je van twee, drie mensen uit je omgeving één nieuwe mens maakt, met ofwel alle deugden ofwel alle ondeugden van hen. Schrijven is ook taboes doorbreken, jezelf de kans gunnen om in de fout te gaan, om dagelijkse tot doodzonden te verheffen, om aan je verbeelding macht te delegeren om er een personage mee onderuit te halen. Schrijven is dichten, vertellen, overtuigen, wenen, uitbundig leven, anderen beoordelen, loven, kritisch bijsturen, te boek stellen.
In dit essay beperk ik mij echter tot de poëzie. Een recensie heeft twee doelen: enerzijds consumentenvoorlichting en anderzijds duiding. In een goede recensie gaan die twee samen. Door de bundel historisch, maatschappelijk en cultureel een plaats te geven, maakt de recensent zich tot een consumentenvoorlichter.
Als recensent schrijf ik in de eerste plaats voor de lezers. Niet voor de dichter, de uitgever, de subsidieverstrekker. Of mijn recensies enige invloed hebben op de dichter of op het cultuurbeleid in zijn land, vind ik minder belangrijk.
Daaruit volgt dat ik, als recensent, buiten uitgever en overheid moet blijven staan. Ik mag mij niet laten annexeren door de een of de ander. Wie dit principe niet deelt, ruikt naar ballotage.
De lezer heeft, hoe dan ook, het laatste woord.

Ik toets poëzie aan mijn persoonlijke poëzieopvatting. De poëzie laboreert voort, hoewel dient gezegd dat ook de gedichten een retrobeweging maken tot kort voor de opkomst van het nieuw-realisme. De dichters hebben het cool gedoe ingeruild voor een nieuw-romantisch, bijna metaforisch engagement. Maar ook in de poëzie staat het persoonlijke Een groot aantal dichters profileren zich onvoldoende. Omdat ze dit ook niet wensen, of omdat zij niet publiceren bij gevestigde uitgeverijen. Dit laatste heeft grote nadelen: als dichter kom je niet in bij grote uitgeverijen gepubliceerde bloemlezingen, je krijgt heel wat minder aandacht in de media, je wordt minder gevraagd voor lezingen op scholen of in verenigingen. In één woord: je verwerft geen status.
Soms heb ik de indruk dat “je boek uitgeven” een vieze onderneming is. Dat de publishing-on-demand uitgeverijen deze leemte willen invullen, heeft deze indruk (dit gevoelen) niet verminderd. Grote uitgeverijen willen het liefst van hun literaire boeken af. Zeker van hun poëzie, omdat deze maar enkele procenten opbrengt.

Bovendien zijn literaire tijdschriften - dé mogelijkheid bij uitstek voor aankomende auteurs die vaak zelf aan het roer staan - aan het uitdoven. Een schrijver/dichter die nu iets interessants te melden heeft, doet dit nu via het internet.

Volgens smaak, perceptie en voorkeur, of je nu zelf dichter bent, of jou herhaaldelijk uitspreekt over (de waarde van) poëzie, of als gewone lezer, sommige gedichten zullen jou aanspreken en andere zullen jou niets zeggen, sommige dichters zullen jou verrassen of bekoren, of jou de bevestiging brengen van een (eeuwige) belofte of een vaste waarde. Eigenlijk maakt dit niet veel uit. Belangrijker is de aandacht die dit essay wil vestigen op de literaire ongelijkheid waardoor “alle dichters niet gelijk zijn voor de wet”. Het kan niet dat elementen zoals leeftijd (debuterende dichter of outsider, favoriet of verguisde), uitgeverij (in welke vorm ook: van eigen beheer over printing-on-demand tot erkende uitgeverij), mediabelangstelling, vriendendienst, meespelen bij de beoordeling van het werk. “Niet alle dichters zijn gelijkwaardig” is een beter statement, op strikte voorwaarde dat de parameter hier de kwaliteit is. We weten echter hoe vaak de subjectiviteit een rol speelt. Het is moeilijk, maar we geraken er wel uit. De perfectie is (nog) niet van deze wereld.

De dichters die ik eigengereid gekozen heb, hebben mij aangenaam verrast of de bevestiging gebracht van hun talent.”

In zijn nieuw essay besteedt Thierry Deleu ook aandacht aan dichters die (nog) niet uitgeven bij erkende (gevestigde) uitgeverijen en zodoende verstoken blijven van subsidie of andere vormen van overheidssteun. Een discriminatie die ook zijn weerslag vindt in een niet evenwaardige behandeling door de media en de (meeste) bibliotheken.
Als 70- jarige is het voor Deleu (nog altijd) een strijdpunt dat hem jong houdt!

(De uitgever)

 

Je kunt het essay lezen op de digitale bibliotheek van
Het Prieeltje Online als nummer 63
De uitgever heeft gekozen voor het PDF-formaat dat zich beter leent voor dit soort werk.

Link naar dit werk: http://www.hetprieeltje.net/NetBook63.pdf

no comment

2

Feb

Wat maakt Thierry groot in Letterenland ?

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

 


PLEIDOOI VOOR GELIJKWAARDIGE BEHANDELING VAN DE AUTEURS !

 

Geconfronteerd met de malaise in de literaire wereld durf ik nogmaals stellen dat vooral de overheid verantwoordelijk is.

Niet het distributiesysteem in se stel ik in vraag, maar wel de afwezigheid in de rotatie van debutanten en auteurs die geen “gevestigde” uitgeverij vonden of die niet bij een “commerciële” uitgever wensen te publiceren, vind ik discriminerend.

 

Uitgevers voelen zich bedreigd door de overschotten, door de terugval van het aantal lezers (hun klanten), door de concurrentie op het Internet en vragen een verhoging van de overheidssteun. Indien hun analyse de juiste zou zijn, dan is hun diagnose zeker fout.

 

Ik bied nogmaals een oplossing aan: start het “Plan Boek” op en vertrek vanuit drie prioriteiten. Primo: een collegiale en transparante procedure tot aankoop van boeken, en/of subsidiëring van de auteur, secundo: een overheidscommissie die de ingestuurde boeken beoordeelt en afhankelijk van dit oordeel een aantal boeken aankoopt en./of de auteur bijkomende steun verleent, tertio: de creatie van een label van “Onafhankelijke Auteurs” (dit kunnen debutanten zijn, maar zeker degenen die in eigen beheer, onder welke vorm ook, uitgeven).

 

Deze drie prioriteiten kunnen enkel efficiënt werken mits het aanwenden van drie werktuigen. Eén: de samenwerking (juister: de inspanningsverplichting)) tussen overheid, uitgevers, auteurs en bibliotheken. Twéé: de coöptatie van auteurs in alle overheidscommissies die (ook) boekenbevoegdheid hebben; alle auteurs betekent hier: gekazerneerde én dakloze auteurs. Drie: een overheidsdistributiesysteem voor de uitvoering van prioriteit twee.

 

Het resultaat van “Plan Boek” moet leiden tot een aangenaam retrogevoel: de tijd van administrateur-generaal Walter Debrock (de jaren ’70), toen boeken werden aangekocht van elke auteur en verdeeld over scholen en bibliotheken.

 

 Wat is de positie van de uitgever in dit voorstel? Nergens. De uitgever hoort thuis bij de commerciële ondernemers. Overheidssteun aan bedrijven hoort niet thuis in dit pleidooi voor gelijkwaardigheid. Daarom stel ik meteen ook voor om een nieuw decreet te schrijven, waarin de rol van elke overheidscommissie, die boeken onder haar bevoegdheid heeft, wordt beschreven en waarin de auteur op de eerste plaats komt.

 

Ik besef dat criteria aanleggen waarmee de aankoop van boeken en de steun aan de auteur worden gemeten heel moeilijk is. Geen enkel meetinstrument kan honderd percent objectiviteit of beoordelingscorrectheid garanderen. Daarom opteer ik om de lat niet te hoog te leggen en de marge breed te houden.

 

Een officiële recensiedienst wordt in het leven geroepen die korte recensieberichtjes doorstuurt en/of doormailt naar alle bibliotheken. Deze dienst zorgt ook voor de informatie naar de boekhandel die daardoor niet alleen wordt gestuurd vanuit de uitgeverijen, maar ook geïnformeerd wordt over de publicaties die het label “Onafhankelijke Auteurs” dragen.

 

Ik besef dat er nooit zekerheid zal bestaan over hert onthaal van een boek bij de lezer.  Dat is ook afhankelijk van de stijl, de impact van het onderwerp op de lezer, van de publiciteit, van de kritiek, de vakpers.

 

Samengevat: de dominantie van de “gevestigde” uitgeverijen wordt met het nieuwe decreet en het “Plan Boek”  in de kiem gesmoord. De prijs van de boeken is geen zaak van de overheid. De uitgever bepaalt de prijs en zodoende ook de winst. In slechte tijden, wanneer zijn winst vermindert of niet meet vergroot, moet hij zich bezinnen over zijn winstmarge, de productiekosten, de distributiekosten, het aantal titels. Hij moet overleg plegen met de boekhandel, zijn rechtstreekse afnemer. De uitgever drijft handel in ideeën en brengt hem winst op. Ook hij moet een strategie ontwikkelen om zijn producten aan de man te brengen. Dit is een puur economische realiteit.

 

De bibliothecaris is niet langer (ongewild) de handlanger van de uitgever en de boekhandel, maar hij treedt, in overleg met de gemeentelijke overheid, ongebonden op. Dat kan hij door beide kanalen van informatie te raadplegen, die van de uitgever en die van de overheid.

 

Ik wil een oproep doen tot de media om meer aandacht te besteden aan het boek, aan de auteur, aan de literatuur in het algemeen. Deze fel verminderde interesse is bovendien mede oorzaak van de malaise in onze literaire wereld.


Ik behoor tot de generatie die 1968 heeft beleefd en hoopvol gestemd was om de verbeelding de macht te gunnen die haar toekwam. Na ’68 werd de kapitalist echter een neo-kapitalist en de liberaal een neoliberaal. Dat betekende dat zij opteerden voor een vrije markt, maar nu met groeiende overheidssteun. En bizarre interpretatie van “sociale markt”.

 

Mooi en mediageil zijn, is even belangrijk. En dit laatste is niet evident: je moet een vriend hebben die een vriend kent die bevriend is met… En zo ontstaan er literaire fabrieken, zoals de fabriek Lanoye, de fabriek Brusselmans, de fabriek Moeyaert…

 

Ik voel mij geen loser van het zuiverste water, helemaal niet. Ik voel mij geen eeuwige belofte die maar niet echt doorbreekt in de literatuur. Ik ben al lang voorbij alle dromen en schaamte. Ik heb niets te verliezen. Ik hoef niet te vervallen in loos gebabbel of opgesmukte deftigheid om te behagen. 

 

Zijn stompzinnigheid, egoïsme en een goede gezondheid de sterkste troeven om te slagen? Heeft Flaubert gelijk? Ik zou er ook grofheid bij vermelden. Spelbederf.

 

Thierry Deleu

2 comments

6

Jan

Sint-André

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

RAZOR’S EDGE EDITIONS EN DE AUTEUR
DANKEN DE TALRIJKE LEZERS

VOOR HEN DIE DOOR DE KERSTDAGEN DE PUBLICATIE VAN DE ROMAN UIT HET OOG VERLOREN:

15 euro
000-0900214-54 (auteur - B-Oostduinkerke)
IBAN BE42 0000 9002 1454
BIC BPOTBEB1
……………………………….

NOTEER IN JE AGENDA:

ZATERDAG 20 MAART 2010 OM 11 U.
IN HET GEMEENTEHUIS VAN KOKSIJDE
VOORSTELLING POEZIEBUNDEL

KLAPROZEN EN KAMERMUZIEK

10 dichters uit Nederland en Vlaanderen

Samenstelling: Hannie Rouweler en Thierry Deleu
Demer Uitgeverij

no comment

22

Dec

Thierry’s wensen

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Thierry & Ginette wensen jou een

bijzonder LIEFDEVOL en gelukkig 2010!

Hoe kunnen wij dit beter doen dan met een gedicht
dat ik speciaal schreef voor mijn vrouwtje!
Wat een boffer ben ik! Ik hoop dat het jou ook goed/beter/best gaat in 2010!

LIEFDE
Voorzichtiger dan vlinders strijken
mijn lippen op je schouders neer.
Zo-even weer. Als het sneeuwen
van meeuwen op de wiegende zee.

Liefde is huiver. En gulzigheid.
Van mond en tanden, krauw en beet
en tederheid van vogelveren.
Liefde is ook jagen, prinses,

op de katten in je ogen,
op de welpen in je enkels,
de springgazellen van je geest.
Liefde vernietigt niet, prinses.

Haar prooi wordt meesteres,
mijn roede haar trouw reptiel.
Liefde is elk uur als de duur
van een vlam tussen rook en as.

Thierry Deleu

no comment

25

Nov

‘Liefde en Dood’

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

PRO MEMORIE

UITNODIGING

Kan liefde zó groot zijn als in de zesde roman van

Thierry Deleu

LIEFDE EN DOOD op Sint-André

Razor’s Edge Editions
‘Liefde en dood op Sint-André’ is een fictieautobiografie (neologisme). Het verhaal gaat over het leven en de liefde van een bijzonder koppel dat niet gespaard wordt van ziekte en dood.

Voorstelling van het boek:
op 5 december, om 11.00 u.,
in de Kok-pit van het (nieuwe) gemeentehuis Koksijde, Zeelaan 303

Welkom: Marc Vanden Bussche,
burgemeester & Vlaams parlementslid
Inleiding:
Ilse Chamon, woordkunstenares

Receptie aangeboden door de gemeente

Prijs: 12 euro (verzonden: 15 euro)
Over te schrijven op 000-0900214-54 van Thierry Deleu, Oostduinkerke

DANK VOOR JE BESTELLING!
De bestelde ex. zullen op de receptie worden uitgereikt. De boeken (worden op verzoek) door de auteur gesigneerd.

Ik hoop echt dat je erbij bent!

no comment

30

Oct

uitnodiging

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

UITNODIGING

Kan liefde zó groot zijn als in de zesde roman van

Thierry Deleu

 

LIEFDE EN DOOD op Sint-André

Razor’s Edge Editions

Liefde en dood op Sint-André
is een fictieautobiografie (neologisme). Het verhaal gaat over het leven en de liefde van een bijzonder koppel dat niet gespaard wordt van ziekte en dood.

Voorstelling van het boek:
op 5 december, om 11.00 u.,
in de Kok-pit van het (nieuwe) gemeentehuis Koksijde, Zeelaan 303

Welkom: Marc Vanden Bussche,
burgemeester & Vlaams parlementslid
Inleiding:
Ilse Chamon, woordkunstenares

Receptie aangeboden door de gemeente

Prijs: 12 euro (verzonden: 15 euro)
Over te schrijven op 000-0900214-54 van Thierry Deleu, Oostduinkerke

DANK VOOR JE BESTELLING!
De bestelde ex. zullen op de receptie worden uitgereikt. De boeken (worden op verzoek) door de auteur gesigneerd.

Ik hoop echt dat je erbij bent!

no comment

30

Jul

Thierry en de Sossen

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

HET VERHAAL

VAN DE SOCIALISTISCHE BEWEGING IN HARELBEKE

IN DE 20ste EEUW

 

EEN VERHAAL

VAN VALLEN EN OPSTAAN!

 

Thierry Deleu schreef in 2005 ‘Het verhaal’ naar aanleiding van het 20-jarig overlijden van burgemeester en volksvertegenwoordiger Marc Bourry (1984) en het verschijnen van de biografie Marc Bourry, man van het volk (1986).

De auteur draagt het boek op aan hen die vanaf de beginjaren ‘70 van de vorige eeuw hebben geijverd om de socialistische beweging in Harelbeke te versterken en haar boodschap van rechtvaardigheid en gelijke kansen uit te dragen. Zijn erkentelijkheid gaat niet alleen uit naar de bestuursleden en de mandatarissen, maar misschien vooral naar de vele militanten die vrijwillig en zonder enige compensatie hebben meegewerkt aan een leefbaar Harelbeke waar het goed wonen is.

 

Dit verhaal kwam tot stand door de gesprekken die de auteur naar aanleiding van de biografie Marc Bourry, man van het volk heeft gevoerd met oudere kameraden en door de literatuur die hij heeft kunnen nalezen in archieven enerzijds en in artikels van kameraden die begaan waren (zijn) met het boekstaven van deze geschiedenis anderzijds.

 

Uiteraard is “zijn” verhaal niet volledig. Misschien zijn er ook een aantal onvolkomenheden in het verloop er van geslopen, waarvoor zijn excuses. Het brengt echter bouwstenen aan op de werf van een “heroïsch” verleden.

 

Dit boek was ook het afscheid van de auteur van een leven als tekstschrijver, ghostwriter, campagneleider, parlementair medewerker en kabinetsattaché (van 1970 tot 2000).

 

Het boek kan u worden bezorgd als netbook. Wanneer u twéé € overschrijft op 000-0900214-54 t.a.v. de auteur, Zandzeggelaan 18, 8670 Oostduinkerke, wordt het als bijlage bij een mailbericht verstuurd.

Denk erom, je e-mailadres op te geven!

no comment

29

Jul

Thierry en Georges

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

 

Walter,

 

Betreft: Thierry’s hoekje.

 

Als bijlage een interview met mij door Georges de Courmayeur.


Groetjes,

Thierry

 

 

Thierry Deleu:

“Dichten is zonder gêne je gat oplichten? Misschien. Ik ben een naaktloper. Schrijven is een therapie, zich afschrijven, masturberen. Schrijven over wat voorbij is, om morgen niet vergeten te zijn!”

 

Schrijf ik autobiografisch? Ja, zeker? Is dit niet voor alle schrijvers gelijk: een mix van fictie en non-fictie? Bij mij is dit zeker het geval en dit stoort mij niet, soms mijn vrouw en mijn vrienden. Verklaart dit mijn drang tot schrijven? Niet meer, laat ons zeggen tot aan de gedichtenbundel De kiemjaren, later niet, ik schrijf graag, omdat ik wil overleven.

 

Je hebt tonnen papier van je afgeschreven?

Toch wel een paar ton minder, hoor. Bovendien moet je dit niet altijd omschrijven als frustraties van je afreageren, ik schrijf ook veel over blije, gelukkige momenten, over verwondering, ontmoetingen. Mijn leven was en is geen hel, ik ben een gelukkige man, met een knappe vrouw, goede kinderen en schattige kleinkindjes.

 

De Kiemjaren gaat over zijn jeugd. Dichters wonen in een huis met vele kamers. Carl Gustav Jung zei: “Het ene boek zal het andere openen.” Misschien is dit ook zo met een huis: “De ene deur zal je naar een andere deur brengen.”

“Mijn huis heeft vele kamers en wanneer je naast het huis kijkt, zie je de tuin. Aan de tuin kent men de bewoner. Wanneer De kiemjaren gaan over mijn jeugd, dan zijn het de kiemzaden van de man van vandaag.”

 

“De kiemjaren deed mij naast mijn eigen zelf kijken. In onze jeugd worden wij gevormd: het zaad is gepland en de jaren dienen eroverheen te gaan, met veel zon en regen. Poëzie is dus een remedie tegen het vergeten,” vertelt de auteur.

 

Ik leerde Deleu kennen via zijn publicaties. Ik las zijn romans en vele van zijn gedichten. Toen ik hem ontmoette, vier jaar geleden, was hij kleiner dan ik dacht en zijn stem was hoger. Van dat stemgeluid heb ik voluit kunnen genieten, want Thierry Deleu is een babbelaar (als hij eenmaal zijn eerste schroom heeft overwonnen). Hij was nog niet helemaal ingeburgerd in zijn nieuwe stek: Oostduinkerke, op enkele stappen van de duinen, het strand en de zee en daarom stelde hij zijn nieuwe bundel alsnog in Harelbeke voor waar hij vandaan komt.

 

Deleu is ongetwijfeld één van de beste liefdespoëten in Vlaanderen en Nederland. In zijn gedichten roept hij herkenning op, identificatie, gevoeligheid die herkenning evoceert. Als lezer word je soms in de rol van voyeur geduwd. Je voelt er je onwennig bij. Moet je lachen of huilen? Is het cynisch of is het triestig? Zoals het met een ironisch mens vergaat, weet je nooit echt wat sneer is en wat als verbloeming is bedoeld. Wat grap is, en wat droefgeestigheid.

 

Dat Deleu kan schrijven, daar is iedereen het erover eens. Dat hij veel schrijft, ook. Als dichter heeft hij zijn literaire sporen verdiend, hij is zonder meer een van de betere liefdespoëten van de Lage Landen bij de zee. Ook als essayist en biograaf is hij niet meer aan zijn proefstuk. Ik wil het echter hebben over Deleu als romanschrijver.

Deleu - die lesbevoegdheid voor Nederlands en geschiedenis heeft - werkte van 1962 tot 1999 in het onderwijs. Eerst als leerkracht, daarna als directeur secundair onderwijs en vier jaar vóór zijn oppensioenstelling als kabinetsattaché bij de Vlaams minister van Onderwijs.

Zijn omvangrijke oeuvre bevat drie hoofdbestanddelen: poëzie, romans en essays. Deleu schreef een omvangrijk oeuvre bij elkaar, dat niet altijd in de picture kwam, enerzijds door de eigengereide koers die de schrijver volgde en anderzijds door het feit dat hij zijn gedichtenbundels, essays, biografieën, ofwel in eigen beheer, ofwel bij Het Schaap (van 1982 tot 1987 zijn eigen uitgeverij), of bij bevriende uitgevers zoals Paradox Pers, De Gebeten Hond en Razor’s Edge editions uitgaf. In 1966 richtte hij met Lionel Deflo het tijdschrift Kreatief op. Hij verliet twee jaar later de redactie en schreef, in opdracht van uitgeverij De Sikkel, enkele leerboeken Nederlands voor het beroepsonderwijs. Met Marcel Coolsaet richtte hij het tijdschrift Boulevard op (1970-1980). Van 1981 tot 1987 was hij, samen met Guy van Hoof, hoofd van uitgeverij Het Schaap, die vooral poëzie van nieuwkomers uitgaf.

 

Een gesprek met Thierry Deleu verloopt verward, omdat mens en auteur zo bevlogen zijn. Op 69-jarige leeftijd maakt Deleu nog plannen als een jonge snaak die nog een heel leven heeft te gaan. Boeiend, onthullend, onthutsend.

“Ik ben niet bang dat ik je niets nieuw te vertellen heb,” lacht hij. “Ik ben nog niet zo oud om slechts iets oud te herhalen.”

 

Thierry Deleu en zijn vrouwtje Ginette spoelden in 2002 aan in Oostduinkerke, bijna letterlijk, want ze gingen wonen aan de voet van de duinen, het strand en de zee. Ook daar zit Thierry niet stil. Hij schreef er zijn vierde, vijfde en zesde roman, twee gedichtenbundels en stichtte “De 50 Meesterdichters van de Lage landen bij de zee”, een Vlaams-Nederlands dichtersgenootschap dat opkomt voor de auteur en tegen de discriminatie van de minder bekende dichter.

 

Mijn mooiste plek?

Ongetwijfeld de plek waar wij wonen, aan de voet van de duinen, op een stap van het strand en de zee, naast de drukte van de dijk. Sint-André lijkt mij het aards paradijs op aarde.

Oostduinkerke heeft een handvol troefkaarten! De rust, de vriendelijke mensen, het mooie strand, de mooie villa’s achter de grote weg, kringelend naar het dorp toe. Ik stel vast dat wij het betere volk aanzuigen. Oostduinkerke is het betere Knokke aan de Westkust.

 

Waar ik naar opkijk?

In de eerste plaats naar mijn vrouw. Zij is knap in alle betekenissen. Ik heb ook veel bewondering voor mensen met gezond verstand. Indien je dit kunt combineren met intelligentie en flexibiliteit, ben je mijn soulmate.

Hier, in Koksijde, kijk ik op naar mijn buur, de burgemeester, op de wijze waarop hij de gemeente, de coalitie en de vrienden bijeenhoudt.

 

“Je roots liggen in Harelbeke,” zeg je altijd, “maar is dit ook zo?”

“Ja, ik weet dat je allusie maakt op het feit dat ik van Wevelgem kom, dit is juist, maar ik heb in Harelbeke zo lang gewoond en gewerkt en actief deelgenomen aan het verenigingsleven, dat het mij lijkt alsof ik er niet ben aangeland maar geworpen.”

 

Schrijven is aangenaam - zegt hij zelf in het gesprek -, maar het valt mij op dat hij zich druk maakt om de discriminatie van de kleine auteur. Zo (be)noemt hij de schrijvers die niet worden gesubsidieerd. Hij waagt zich zelfs aan het herschrijven van het Decreet dat overheidssteun aan de literatuur in Vlaanderen regelt.

Daarnaast probeert hij ook greep te houden op de werkelijkheid die hem omringt. Naar zijn overtuiging zijn mens en werkelijkheid heel complex. De mens is een mysterie en steeds is hij op zoek naar het eigen “ik”. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe? 

Hij zet zich ook geregeld af tegen machtsstructuren die de mens conditioneren.

 

Heb je geen spijt dat je naar Oostduinkerke verhuisde?

“Neen hoor, een mens moet geregeld breken met zijn omgeving, om niet te verzeilen in sleur en routine. En dit betekent helemaal niet dat ik mijn vrienden van toen ben vergeten, neen, maar ik heb nu nieuwe. En nieuwe vrienden bieden je de kans om te herademen, om je opnieuw te positioneren, om een ander leven te leven. De Harelbeekse bibliothecaris, Jan van Herreweghe, schreef eens dat ik drie levens leid. Ik leef vooral leven na leven.”

 

Met Eindterm en Amélie Laforêt heeft Deleu zich expliciet geplaatst bij de Vlaamse auteurs die in het literaire werk een menselijke “getuigenis” zien en minder een zuivere taalcreatie. Ook de historische roman Arsène du Frêne, heer van La Vallade is een vluchtpoging in een vorm van literaire neoromantiek. Ook Klamme handen hoort bij het episch genre waarbij de auteur meer nadruk legt op de psychische toestand van zijn personages dan op de gebeurtenissen. Het is een “psychologische” roman. Na zijn “Creuse Trilogie” (drie romans met als decorum de Creuse) en de psychologische roman Klamme handen, waagde de auteur zich aan een politieroman, De doden zwijgen niet (2008). Hij leest als een trein; de spanning jaagt de lezer bladzijde na bladzijde naar de ontknoping; de personages zijn mensen van vlees en bloed. Een verhaal dat gebakken koek is voor een filmscenario.

 

Dit jaar verschijnt je zesde roman, Liefde en dood op Sint-André. Autobiografisch?

“Zowel mijn gedichten als mijn romans zijn een mix van fictie en non-fictie. Ook in deze roman is dit het geval. Ik beschrijf de liefde van een koppel dat ineens uiteengaat, maar opnieuw samenkomt. Daartussen spelen verdriet, ziekte en dood een grote rol.”

 

“Word je gelezen? Of beter: word je voldoende gelezen en gewaardeerd als schrijver?”

“Zeker, het valt bovendien op dat mijn ‘bekendheid’ vergroot naarmate ik ouder word. Misschien omdat ze denken: we zijn er bijna van af. Maar ook hierin vergissen ze zich.”

 

Ook “Wie schrijft, die blijft” wordt dikwijls te berde gebracht. De auteur beseft dat ook zijn eigen leven voorbijgaat. Met zijn werk wil de auteur sporen laten in de tijd en zo een vorm van “onsterfelijkheid” bereiken.

 

“Geloof je in een leven na de dood?”       

“Geen commentaar. Zoals je weet, schrijf ik al vijf jaar aan een essay dat antwoord zou kunnen bieden aan vele levensvragen. De publicatie is voorzien voor 2010 of 2011.”

 

“Heb jij het geloof teruggevonden?

“Welk geloof? In de Kerk? Neen. Ik hoop dat enkele van mijn gedichten zullen overleven. À propos, ik ben geen hermetische dichter, dat is onzin, ik schrijf glashelder voor wie moeite doet.”

 

“Ben je ontgoocheld in de mens?”

“Moeilijke vraag of niet soms? Neen, in sommige mensen wel natuurlijk, maar dat zal wederkerig zijn. Ik ben een gelukkige mens, ik heb een liefhebbende vrouw en ik zie ze graag, ik heb goede kinderen en schattige kleinkinderen. Ontgoocheld? Neen, sedert wij in Oostduinkerke wonen, voelen wij ons elke dag in kermisstemming. De zee, het strand, de duinen, de toeristen, de vriendelijkheid van de inwoners brengen ons altijd in een hoerastemming.”   

 

“Mag ik nog eens aandringen: mis je Harelbeke niet?”

“Wat wil je dat ik zeg? Ik gaf er les van 1962 tot 1989, - dat jaar werd ik directeur van de Middenschool in Tielt, - ik woonde er van 1976 tot 2000, ik speelde er toneel, ik schreef mappen teksten voor de lokale politici, ik zorgde voor vernieuwing in de SP, ik had er veel vrienden, een groot sociaal netwerk. Ik mis dat alles niet, maar ik denk er wel eens aan. Logisch toch?”

 

“Plannen?”

“Ik schrijf elke dag, uren bijeen, samen met Ginette doe ik veel daguitstapjes, we zijn er altijd voor onze kleinkindjes, en anders zijn wij op reis, vaak meermaals per jaar. Daarin een evenwicht vinden is de kunst en die kunst beheers ik goed. Leven is méér dan schrijven, leven is ook liefhebben! En wie liefheeft, is bang dat de dood daar een einde aan maakt. Dit is realiteit.

Plannen? Een nieuwe roman (2009), een nieuwe gedichtenbundel (2010), een essay (2011). Momenteel werk ik aan een biografie.”

 

“Ja, over wie?”

“Top secret, maar hou 2010 in de gaten.”

 

“Dank voor het gesprek.”

 

Georges de Courmayeur

no comment

27

May

Ode aan de Liefde

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

NOTEER NU IN JE AGENDA
ZODAT JE GEEN DOUBLE DATE HEBT!

KAN LIEFDE ZÓ GROOT ZIJN ALS IN DE ZESDE ROMAN VAN

THIERRY DELEU

ODE AAN DE LIEFDE

Razor’s Edge Editions

Voorstelling van het boek:

op 5 december, om 11.00 u.,
in de Kok-pit van het (nieuwe) gemeentehuis Koksijde, Zeelaan 303

Inleiding: Ilse Chamon

woordkunstenares
Welkom:
Marc Vanden Bussche

burgemeester

Receptie aangeboden door de gemeente

 

no comment

30

Apr

Thierry’s Suite

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Beste vriend, lieve vriendin,
Beste redactie,
Vrienden van Pers, Radio en TV,

Bij Het Prieeltje Online, Demerstraat 32 bus 7, 3290 Diest (België) verscheen mijn recente gedichtenbundel Bourgondische suite. Zoals de titel doet vermoeden, gaat het hier om reisgedichten, naar aanleiding van een drietal reizen in de Bourgogne.

Specifiek zijn de gedichten die zijn geschreven na mijn verblijf in “Moulin du Gué” in Cressy-sur-Somme, waar Eddy en Greet (oom en tante van Tom Boonen) een chambre-d’hôte uitbaten. Bourgondische suite bied ik jou als geschenk aan.

De bundel kun je zo verkrijgen:

1) ofwel surf je naar http://www.hetprieeltje.net, je kiest voor Netbooks en je scrolt naar beneden tot nummer 60
2) ofwel klik je rechtstreeks door op de volgende URL:
http://www.hetprieeltje.net/netbook60/index.html
3) ofwel ga je rechtstreeks naar de PDF-versie (klik op pdf)

PRIMEUR VOOR VLAANDEREN:
DICHTER SCHENKT AL VOOR TWEEDE KEER GEDICHTENBUNDEL AAN ZIJN LEZERS!

De leden van Pers, Radio en TV krijgen nog een apart persbericht dat ook via mail zal worden verstuurd.
Ik hoop dat ik jou een aangename verrassing heb bezorgd.

Thierry Deleu

no comment

30

Apr

Bourgondische Suite

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

PERSBERICHT

 

NIEUWE GEDICHTENBUNDEL VAN

THIERRY DELEU

 

ALS GESCHENK AAN ZIJN LEZERS

 

BOURGONDISCHE SUITE

 

Gedichten

 

 

De uitgever aan het woord:

“Hoe goed herken ik jou en je eeuwige thema’s daar weer in terug.  Vooral de natuur en de liefde die weer overheersen.  Ik ken Bourgondië en heb daarom met des te meer genoegen van de lectuur van jouw bundel genoten.  Want genieten en nog eens genieten is het devies van deze verzen.  Hoe kan het anders ook in zo’n verbluffend mooie streek.  Dit om je te zeggen dat we aan de confectie van het NetBook zullen gaan beginnen.  Het zal het nummer 60 dragen en een welgekomen aanwinst zijn voor onze mooie uitgebouwde digitale bibliotheek waarop wij trots zijn.  In elk geval proficiat voor de nieuwe bundel.”

(Henri Thijs, verantwoordelijke voor de digitale uitgeverij Het Prieeltje Online vzw)

 

De auteur

Vanaf de jaren ‘60 beweegt Thierry Deleu zich op een breed literair vlak. Hij schreef leerboeken Nederlands voor het beroepsonderwijs, is auteur van de biografie Marc Bourry, man van het volk en van ettelijke essays over schrijvers en actuele letterkundige onderwerpen.

In de jaren 2002 tot 2004 verscheen de Creuse Trilogie (drie romans met als background de Franse Creuse), in 2006 de roman Klamme handen en in 2008 de politieroman De doden zwijgen niet.

Thierry Deleu geniet bekendheid als hoofdredacteur van het tijdschrift “Boulevard” (1970-1980), als uitgever van de reeks Schaap Boeken (1981-1987) en  als samensteller van enkele bloemlezingen voor het kunstonderwijs. Sinds kort is hij de eerste voorzitter van “De 50 Meesterdichters van de Lage landen bij de zee”. Liefde, dood, erotiek en natuur zijn de voornaamste thema’s van zijn poëzie.

Bourgondische suite 

De gedichten voor Bourgondische suite werden geschreven na zijn reizen naar de Bourgogne (recent ook weer in 2009). Specifiek aan deze bundel zijn de gedichten in de leefsfeer van Greet en Eddy, tante en oom van Tom Boonen.

“Om het dichtwerk van Thierry Deleu nu in zijn geheel te definiëren ben ik geneigd tot de volgende uitspraak: ‘Poëzie tussen Eros en Thanatos, een natuurlijke daad van bevestiging’, waarbij het tweede deel van de zin alludeert op de bekende uitspraak van de Vlaamse dichter Eddy Van Vliet.” (Jan Van Herreweghe)

De natuur is medeplichtig aan ons Zijn, is een factor die onze gemoedsgesteldheid kan beheersen. Zo kan de dichter zich onrustig, troosteloos voelen of veiliger en geborgen binnen de contouren van het landschap. De natuur past perfect in de nieuwe werkelijkheden die de dichter steeds voor ogen heeft.

 

Voor Thierry Deleu als dichter zijn dat geen nieuwe elementen. Zijn vroegere gedichten baadden al in dergelijke sfeer, waren al ondergedompeld in hetzelfde bad. Alleen is de dichter geëvolueerd, heeft hij zijn taal uitgezuiverd, heeft hij nog meer aandacht besteed aan vorm, ritmiek en structuur. Kenmerkend voor de schrijfstijl van de dichter zijn de vierregelige strofen die weliswaar niet afsluiten met een punt, meestal doorlopen, maar door hun lay-out en beeldvorming een zelfvertrouwen uitstralen.

 

Sinds zijn bundel Val der Engelen valt op hoe de mystieke sfeer de meeste reisgedichten kleurt, vooral dan in de reisgedichten met als decorum de Bourgogne. De liefde is nog steeds het uitgangspunt, maar dat tikkeltje godsdienstigheid symboliseert een gevoel van ingetogenheid. Anderzijds wordt dat mystieke gevoel dan weer met opzet doorbroken door erotiek.

(Jan Van Herreweghe en Guy van Hoof).

 

Praktisch

Hoe verkrijgen?

De gedichten zijn verschenen als NetBook 60 bij Het Prieeltje Online Diest.

Dit zijn E-Books van een speciale soort die daardoor worden gekenmerkt dat ze niet hoeven te worden gedownload of geprint maar op het net kunnen worden gelezen.

Dit houdt in dat deze publicaties een aangepaste lay-out en esthetische vormgeving meedragen volledig in harmonie met de mogelijkheden van het net.  
Maak kennis met deze bundel op www.hetprieeltje.net (NetBook nr. 60).

Uiteraard kun je de bundel ook downloaden en printen.

 

 

1) ofwel surf je naar www.hetprieeltje.net , je kiest voor Netbooks en je scrolt naar beneden tot nummer 60;

2) ofwel klik je rechtstreeks door op de volgende URL:

http://www.hetprieeltje.net/netbook60/index.html

3) ofwel ga je rechtstreeks naar de PDF-versie door te klikken op pdf.

 

Bourgondische suite kun je zo verkrijgen:

 

Adobe Acrobotreader is op de meeste computersystemen aanwezig.

 

Colofon

BOURGONDISCHE SUITE van Thierry DELEU verscheen als zestigste NetBook van Het Prieeltje Online in de maand april 2009. Lay-out: Henri Thijs

Copyright design:

Het Prieeltje Online Diest.

no comment

17

Apr

De kloof van Thierry

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

DE KLOOF… DICHTEN

 

De kloof tussen hoog- en laagopgeleiden heeft de laatste decennia voor een nieuwe klassenmaatschappij gezorgd. Doordat de politieke elite (bijna) louter uit hoogopgeleiden bestaat, voelen laagopgeleiden zich niet langer vertegenwoordigd door de traditionele partijen. Denk aan de SP.a en aan de grootste belangengroep binnen de CD&V.

 

Vlaanderen (ook België) wordt geregeerd door “geleerden”. Bijna alle ministers hebben een academische achtergrond. Ook het parlement bestaat bijna uitsluitend uit universitairen en hogeschoolgediplomeerden. Deze dominantie blijft niet beperkt tot het parlement. Ook de politieke partijen zelf worden gestuurd door hoogopgeleiden.

 

Vroeger hadden de grote volkspartijen, zoals de SP.a en de confessionele partijen, redelijk veel laaggeschoolde leden die scholing kregen en toegang verwierven tot politieke ambten. Nu zijn het meestal mandaten en functies voor hoogopgeleide professionals. Ook de vakbonden die vanouds veel laaggeschoolden aan de bak lieten, zien hun ledental en hun invloed sterk teruglopen.

 

In de plaats ervan komen lobbygroepen. Deze (nieuwe) belangengroepen worden echter geleid door hoogopgeleide professionals en ook hun achterban bestaat uit hooggeschoolden.

 

Ook in de vele advies- en inspraakorganen maken bijna uitsluitend hoogopgeleiden de dienst uit.

 

Daardoor zijn in de voorbije jaren lager- en middelbaaropgeleiden bijna volledig van het politieke toneel verdwenen. Vlaanderen wordt stilaan geregeerd door mensen met de hoogste diploma’s. Toch is maar een derde van de kiezers hoog opgeleid.

 

Een van de problemen hiervan is dat de hoogopgeleide politieke kaders er andere voorkeuren op nahouden dan de grote meerderheid van laag- en middelbaaropgeleiden.

 

Enkele voorbeelden.

Hogeropgeleiden maken zich zorgen over (hoger) onderwijs, lageropgeleiden hebben vooral aandacht voor criminaliteit, leefbaarheid en werkloosheid. Omdat de hogeropgeleiden politiek veel actiever zijn, dringen hun opvattingen bovendien veel gemakkelijker door tot de politieke agenda.

De tegenstelling tussen hoog en laag is heel duidelijk op het terrein van de immigratie. Hoogopgeleiden hebben een mondiale oriëntatie en zijn meestal voorstander van ontwikkelingshulp, open grenzen en een multiculturele samenleving. Laagopgeleiden zijn nationalistisch ingesteld en hebben een sterke behoefte aan een monoculturele aanpak waarin de Vlaamse identiteit en cultuur vooropstaan. Hoogopgeleiden vinden dat immigratie ons heeft verrijkt, lageropgeleiden ervaren het als een verarming.

 

Deze tegenstellingen stellen vooral de SP.a voor grote problemen.

Vooral de SP.a heeft haar voeling met haar traditionele achterban bijna volledig verloren. De lageropgeleide achterban herkent zich niet meer in de koers van het hogeropgeleide kader en stapt over naar andere partijen die hun frustraties uitbuiten, maar hun reële noden niet lenigen. Denk aan het VB en LDD.

 

Een ander effect is dat grote delen van de bevolking politiek afhaken. Onder de laagopgeleiden is het vertrouwen in de politiek veel lager dan onder hoogopgeleiden en is het cynisme over de politici veel hoger.

 

De traditionele volkspartijen, - en vooral de SP.a, - hebben het huidige populisme zelf opgeroepen onder andere door hun aanhang een populistisch dienstbetoon aan te bieden. Diezelfde kiezers hebben intussen elders onderdak gevonden.

 

Om lager- en middelbaargeschoolden opnieuw een stem te geven binnen de moderne politiek zijn diverse oplossingen denkbaar.

1° De traditionele volkspartijen moeten nadenken of professionele expertise altijd de doorslag moet geven bij het invullen van functies. Er zou veel meert moeten worden gelet op een brede vertegenwoordiging van alle belangen.

2° Referenda moeten worden ingevoerd. Zo kunnen alle inwoners rechtstreeks hun stem laten gelden, op voet van gelijkheid, zonder avonden te moeten vergaderen.

3° Alle mandaten moeten rechtstreeks worden verkozen en alle gekozenen moeten ook de functie ongecumuleerd uitvoeren waarvoor zij werden verkozen.

 

Dit zijn drie denkbare oplossingen om politiek en partijen te dwingen veel meer rekening te houden met de stem van de lageropgeleiden.

 

Thierry Deleu


De vraag is :

 

In welke kategorie hoort Kortrijkwatcher, alias Meneerke Frans, thuis :

 

een geleerde zonder hoger diploma,

een hoogopgeleide met middelbaar diploma,

een laagopgeleide met een scholing,

een middelbaar opgeleide,

een laaggeschoolde zonder scholing,

een akademikus zonder paper (peper),

een akademische hoogdraver,

een Volkshooggeschoolde,

een elitaire wijsneus,

een hogeschool gediplomeerde,

een hogeropgeleide met een roeping,

een hogeropgeleide van Harvard,

een would-be geleerde,

een hooggeschoolde nar, 

een hoogopgeleide professional,

een halfgeleerde,

een middelbaar geschoolde amateur,

een politieke praatjesmaker met een scholing

een universitaire deskundoloog

een bachelor,

een arrogante betweter,

een halve universitair,

een halve master,

of een hautaine zak hors catégorie…?

1 comment

9

Feb

Thierry doet een oproep !

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Online literair tijdschrift dat dagelijks, doorlopend & eindeloos nieuwe bijdragen aanbrengt:
“De Geletterde Mens & The Razor”!

EEN EZINE DAT OPKOMT VOOR DE KLEINE
(HOE ZO?). AUTEUR!

Sedert 1 februari 07 is er een nieuwe weblog actief:
http://geletterdemens.blogspot.com/“De Geletterde Mens” is een dagelijks e-magazine ‘doorlopend & eindeloos literair’ dat zich vooral wijdt aan de (Nederlandstalige) literatuur, maar sporadisch ook aandacht heeft voor andere kunstvormen.
“Kleine” auteurs met soms “grote” kwaliteiten komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. Ook de overheid sluit systematisch deze auteurs uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen, omdat zij (nog) niet uitgeven bij een erkende uitgeverij. Lees ons standpunt over dit netelig en frustrerend fenomeen in de Vlaamse literatuur, onder andere in Manifest, Grote en kleine auteurs en Ontwerp tot wijziging van het decreet.

“De Geletterde Mens” wil in de eerste plaats een spreekbuis, een uitlaat, een forum zijn voor nieuwe auteurs, debuterende en dakloze schrijvers en dichters, die zoekende zijn of berusten in hun lot. De redactie stelt één criterium voor het plaatsen van creatief werk: kwaliteit!

Aan ‘De Geletterde Mens’ werken heel wat auteurs en beeldende kunstenaars mee uit Vlaanderen en Nederland, o.a.:

Marcella Baete, Roland Bergeys, Bert Bevers, Frans de Birk, Annette van den Bosch, John Broekhuis, Marc Bungeneers, Gunnar Callebaut, Martin Carrette, Greta Casier, Georges de Courmayeur, Jeannine Debbaut, Lidy De Brouwer, Pierre Declerck, Leni De Goeyse, Jenny Dejager, Henk Deleu, Peter Deleu, Thierry Deleu, Luc Demiddele, Ferre Denis, Gwen Deprez, Marleen De Smet, Astrid Dewancker, Joris Dewolf, Alphonse D’Heye, Germain Droogenbroodt, Arnold Eloy, Fernand Florizoone, Ludo Geloen, Hejatomsma, Jan Van Herreweghe, Patricia Lasoen, Paul van Leeuwenkamp, Frédéric Leroy, Cathy Mara, Luc C. Martens, Mark Meekers, Peter Motte, Edith Oeyen, Ruud Poppelaars, Eric Rosseel, Annmarie Sauer, Inge de Schuyter, Maurits Sterkenburg, Pien Storm van Leeuwen, Ina Stabergh, Annemieke Steenbergen, Jet van Swieten, Jan Theuninck, Henri Thijs, Lieve Vandamme, Marc Vandenbussche, Guy Vandendriessche, Yerna Van Den Driessche, Eric Vandenwyngaerden, Jozef Vandromme, Jan Van Loy, Peter Van Synghel, Dirk Vekemans, Frans Vlinderman, Katelijn Vijncke, Pom Wolff, Peter Wullen.

Stuur uw kopij naar:
geletterdemens@gmail.com

thierry.deleu@gmail.com

thierry.deleu@skynet.be

De redactie bestaat uit:
Georges de Courmayeur, Jenny Dejager, Peter Deleu, Thierry Deleu (eindredactie), Marleen De Smet, Joris Dewolf, Guy van Hoof, Jan van Leeuwenkamp, Marleen Malyster, Annmarie Sauer, Inge de Schuyter, Ginette Vandenbussche, Marc Vandenbussche, Jan Van Loy, Dirk Vekemans

De Geletterde Mens bestaat dus twee jaar. Een verjaardag om even een balans op te maken, vind je niet?
Eindredacteur Thierry Deleu (*), die reeds heel wat ervaring opdeed in het milieu en als 65plusser, trok zich de kommer en kwel aan van de vele debutanten en auteurs die zeulen met eigen beheerproducties en uitgaven bij kleine uitgeverijtjes. “Vooral zij krijgen onze aandacht!” “Kleine” auteurs met soms “grote” kwaliteiten komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen. Ook de overheid sluit systematisch deze auteurs uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen.
De Geletterde Mens wil in de eerste plaats een spreekbuis, een uitlaat, een forum zijn voor nieuwe auteurs, debuterende en dakloze schrijvers en dichters, die zoekende zijn of berusten in hun lot. De redactie stelt één criterium voor het plaatsen van creatief werk: kwaliteit! De eerste balans na bijna twee jaar is niet triest, maar toch enigszins geflatteerd, waarmee ik bedoel dat er nog geen “balans” gevonden is tussen het creatief werk van de redacteurs enerzijds en het ingezonden (via mail) creatief werk anderzijds, tussen de kritische bijdragen van beiden enerzijds en het aantal reacties anderzijds. Als eindredacteur kan ik niet onverdeeld tevreden zijn. Daarom deze oproep: schop keet, breng leven in de brouwerij, geef van jetje, met andere woorden: kom op voor jezelf. Alleen gal die gespuwd wordt “op de man of vrouw” wordt niet getolereerd. Houd het bij “de structuur”, “de autoriteit”, “het standpunt”. Als eindredacteur is het mijn taak te zoeken naar een werkende redactie, met gezond verstand, zonder compromiszucht, ongebonden, onafhankelijk. Wie zich geroepen voelt, neemt met mij contact via HYPERLINK “mailto:thierry.deleu@skynet.be“ thierry.deleu@skynet.be of HYPERLINK “mailto:thierry.deleu@gmail.com“ thierry.deleu@gmail.com.
De eindredactie

 


(*)
Thierry Deleu is eredirecteur secundair onderwijs van de Middenschool van het Gemeenschapsonderwijs in Tielt (1988-2000). Van 1995 tot 1999 was hij kabinetsattaché van Vlaams minister Luc Van den Bossche en Eddy Baldewijns (Onderwijs).
Hij is co-auteur van enkele leerboeken Nederlands ten behoeve van het beroepsonderwijs. Vooral is hij echter bekend als dichter, romancier, essayist en biograaf.
Hij is sedert 2006 voorzitter van “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”.

1 comment

27

Jan

De wortels van Thierry Deleu

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

 

Walter,

 

Als bijlage een interview.
Thierry

 

 

Thierry Deleu: “Mijn roots liggen in Harelbeke!”

 

 

“Je roots liggen in Harelbeke,” zeg je altijd, “maar is dit ook zo?”

 

“Ja, ik weet dat je allusie maakt op het feit dat ik van Wevelgem kom, dit is juist, maar ik heb in Harelbeke zo lang gewoond en gewerkt en actief deelgenomen aan het verenigingsleven, dat het mij lijkt alsof ik er niet ben aangeland maar geworpen.”

 

Ons gesprek met uitgeweken Harelbekenaar Thierry Deleu verloopt - zoals altijd - verward, omdat mens en auteur zo bevlogen zijn. Op 69-jarige leeftijd maakt Deleu nog plannen als een jonge snaak die nog een heel leven heeft te gaan. Boeiend, onthullend, onthutsend.

 

“Ik ben niet bang dat ik je niets nieuw te vertellen heb,” lacht hij. “Ik ben nog niet zo oud om slechts iets oud te herhalen.”

 

“Het gedicht Harelbeke dat je schreef voor de OCMW-triptiek aan het Paretteplein een paar jaar geleden laat bij sommigen sporen na. Ben je je hiervan bewust?”

 

“Sporen? Bedoel je negatieve reacties? Ik kreeg alleen positieve reacties door. Ze zeiden mij dat ik Harelbeke en de Harelbekenaar megajuist geschetst had: harde bast, gouden hart, rood bevlogen, opgetogen, kleien venten, matronen met grote borsten, de vent drinkt, de vrouw staat haar man, muziek en woord op elk banket op tafel gezet. Ik ben daar bovendien in goed gezelschap: Guido Gezelle, André Velghe en ikzelf, wij beheersten hier de poëzie.”

 

“Er wordt al eens gesuggereerd dat je eigengereid bent en nieuwigheidzuchtig. Is dit juist?”

 

“Met deze verwijten moet ik al een leven lang leren leven. In het begin probeerde ik ze te pareren, maar dit lukt toch niet: de mensen willen jou niet zien zoals je bent, maar zoals ze willen dat je bent. Ik lijd niet aan nieuwigheidzucht, maar ik hou wel van uitdagingen, nieuwe projecten, nieuwe horizonten. Ik kan niet lang een zelfde job doen, dat is juist, maar ik heb ook altijd de opportuniteit voor een nieuwe job gegrepen: leraar, gedetacheerde leerkracht, intern pedagogisch begeleider, parlementair medewerker, directeur, kabinetsattaché. En nu gepensioneerde veelschrijver. Ik heb wel op tijd en stond mijn rust nodig en dan kan ik ‘ongemanierd’ alle contacten tijdelijk opblazen. Maar ja, mijn toewijding is altijd 120% en ineens ben ik opgebrand. Ofwel neem ik dan rust, ofwel verander ik van bezigheid of uitdaging. Ik heb niet graag dat mensen - ook mijn vrienden niet - op mijn deur komen kloppen. Omhels mij, heb mij lief, bewonder mij: dat kan ik niet. Op afspraak, anders niet.”

 

Thierry Deleu en zijn vrouwtje Ginette spoelden in 2002 aan in Oostduinkerke, bijna letterlijk, want ze gingen wonen aan de voet van de duinen, het strand en de zee. Ook daar zit Thierry niet stil. Hij schreef er zijn vierde, vijfde en zesde roman, twee gedichtenbundels en stichtte “De 50 Meesterdichters van de Lage landen bij de zee”, een Vlaams-Nederlands dichtersgenootschap dat opkomt voor de auteur en tegen de discriminatie van de minder bekende dichter.

 

Schrijven is aangenaam - zegt hij zelf in het gesprek -, maar het valt mij op dat hij zich druk maakt om de discriminatie van de kleine auteur. Zo (be)noemt hij de schrijvers die niet worden gesubsidieerd. Hij waagt zich zelfs aan het herschrijven van het Decreet dat overheidssteun aan de literatuur in Vlaanderen regelt.

Daarnaast probeert hij ook greep te houden op de werkelijkheid die hem omringt. Naar zijn overtuiging zijn mens en werkelijkheid heel complex. De mens is een mysterie en steeds is hij op zoek naar het eigen “ik”. Wie ben ik? Waar kom ik vandaan? Waar ga ik naar toe? 

Hij zet zich ook geregeld af tegen machtsstructuur die de mens conditioneren.

 

“Heb je geen heimwee naar Harelbeke? Je was daar toch ‘iemand’, zowel als leerkracht, schrijver als politicus.”

 

“Neen hoor, een mens moet geregeld breken met zijn omgeving, om niet te verzeilen in sleur en routine. En dit betekent helemaal niet dat ik mijn vrienden van toen ben vergeten, neen, maar ik heb nu nieuwe. En nieuwe vrienden bieden je de kans om te herademen, om je opnieuw te positioneren, om een ander leven te leven. Jan van Herreweghe schreef eens dat ik drie levens leid. Dat is juist, maar ik leef vooral leven na leven.”

 

Dit jaar verschijnt zijn zesde roman, Ode aan de liefde.

 

“Autobiografisch?”

 

“Zowel mijn gedichten als mijn romans zijn een mix van fictie en non-fictie. Ook in deze roman is dit het geval. Ik beschrijf de liefde van een koppel dat ineens uiteengaat, maar opnieuw samenkomt. Daartussen spelen verdriet, ziekte en dood een grote rol.”

 

“Word je gelezen? Of beter: word je voldoende gelezen en gewaardeerd als schrijver?”

 

“Zeker, het valt bovendien op dat mijn ‘bekendheid’ vergroot naarmate ik ouder word. Misschien omdat ze denken: we zijn er bijna van af. Maar ook hierin vergissen ze zich.”

 

Ook “Wie schrijft, die blijft” wordt dikwijls te berde gebracht. De auteur beseft dat ook zijn eigen leven voorbijgaat. Met zijn werk wil de auteur sporen laten in de tijd en zo een vorm van “onsterfelijkheid” bereiken.

 

“Ben je dan niet bang voor de dood?”

 

“Neen, maar ik zou niet graag veel pijn hebben als ik stervende ben. Dit geldt voor iedereen, denk ik. Ik ben voorbereid: mijn testament is gemaakt, mijn begrafenis is geregeld, zij die overleven, weten wat ik verlang.”

 

“Amai, dat is beangstigend.”

 

“Och neen, mijn vrouw zegt dat ik het voor het zeggen wil hebben, zelfs in de dood.”

 

“Geloof je in een leven na de dood?”       

 

“Geen commentaar. Zoals je weet, schrijf ik al vijf jaar aan een essay dat antwoord zou kunnen bieden aan vele levensvragen. De publicatie is voorzien voor 2010 of 2011.”

 

“Heb jij het geloof teruggevonden?

 

“Welk geloof? In de Kerk? Neen. Ik hoop dat enkele van mijn gedichten zullen overleven. À propos, ik ben geen hermetische dichter, dat is onzin, ik schrijf glashelder voor wie moeite doet.”

Deleu ontwijkt de vraag.

 

Toen hij zestig werd, moest het beste nog komen.

“Het had misschien te maken met het huisje in Frankrijk, dat mijn vrouw en ik maanden, jaren na elkaar, huurden. Weg van de drukte, weg van de snelweg, weg van dezelfde cinema van elke dag. Ik ben toen anders gaan leven en anders gaan denken. Mijn werkwijze veranderde ook: ik schreef intenser en intensiever, met oog voor detail en gevoel voor humor. Ik voelde mij daar als herboren, schoon gewassen, ververst, ik kon de wereld weer aan, omdat ik mijn omgeving afstapte en mijn vrienden herkoos. Wijlen Peter Blommé, een goede vriend van mijn vrouw en ik, zei mij eens, jaren geleden: ‘Je moet af en toe aan de boom van de vriendschap schudden, zodat de rotte appels eruit vliegen’. Hij had gelijk.”

 

“Ben je ontgoocheld in de mens?”

 

“Moeilijke vraag of niet soms? Neen, in sommige mensen wel natuurlijk, maar dat zal wederkerig zijn. Ik ben een gelukkige mens, ik heb een liefhebbende vrouw en ik zie ze graag, ik heb goede kinderen en schattige kleinkinderen. Ontgoocheld? Neen, sedert wij in Oostduinkerke wonen, voelen wij ons elke dag in kermisstemming. De zee, het strand, de duinen, de toeristen, de vriendelijkheid van de inwoners brengen ons altijd in een hoerastemming.”   

 

“Mag ik nog eens aandringen: mis je Harelbeke niet?”

 

“Wat wil je dat ik zeg? Ik gaf er les van 1962 tot 1989, - dat jaar werd ik directeur van de Middenschool in Tielt, - ik woonde er van 1976 tot 2000, ik speelde er toneel, ik schreef mappen teksten voor de lokale politici, ik zorgde voor vernieuwing in de SP, ik had er veel vrienden, een groot sociaal netwerk. Ik mis dat alles niet, maar ik denk er wel eens aan. Logisch toch?”

 

“Plannen?”

 

“Ik schrijf elke dag, uren bijeen, samen met Ginette doe ik veel daguitstapjes, we zijn er altijd voor onze kleinkindjes, en anders zijn wij op reis, vaak meermaals per jaar. Daarin een evenwicht vinden is de kunst en die kunst beheers ik goed. Leven is méér dan schrijven, leven is ook liefhebben! En wie liefheeft, is bang dat de dood daar een einde aan maakt. Dit is realiteit.

Plannen? Een nieuwe roman (2009), een nieuwe gedichtenbundel (2010), een essay (2011). Momenteel werk ik aan biografie.”

 

“Ja, over wie?”

 

“Top secret, maar hou 2010 in de gaten.”

 

“Dank voor het gesprek.”

 

Joris Dewolf

 

 

no comment

24

Dec

Thierry Deleu : kort, maar krachtig

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

 

Verkorte versie van het referaat door Thierry Deleu op de voorstelling van het eerste jaarboek van “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee” op 3 december 2008 in het gemeentehuis van Koksijde

 

Ik heb niet de intentie om deze ontvangst op het gemeentehuis te ontluisteren door ellenlange theoretische bedenkingen over het literaire landschap in Vlaanderen en Nederland. Met andere woorden: ik maak het kort, maar krachtig.

 

In de loop van een nieuwe legislatuur wordt elke keer verkondigd dat de taak van de overheid op het gebied van kunst & cultuur een zekere afronding heeft bereikt. Een pedante uitspraak, maar het voorval typeert onze kunstpolitiek en ons cultuurbeleid: het wordt gezien als een verzameling van activiteiten die op zeker ogenblik kunnen worden afgerond.

 

Hoe definiëren wij “cultuur”? Die vraag kwam pas aan de orde toen er iets met de maatschappij gebeurde. Dat was in de tweede helft van de jaren ‘60. Mei 1968. De balans van de welvaartsstaat werd opgemaakt. Ook in het cultuurleven. Ondanks de financiële vooruitgang bleek de participatie van het publiek te stagneren en op enkele gebieden sterk achteruit te gaan.

 

Tussen 1900 en Parijs 1968 ligt het tijdperk van de burgerlijke cultuur. Kunst werd aangezien als een teken van burgerlijke macht. De kunst bleef een luxe.

 

Na Parijs 1968 kwam echter ook in de kunstpolitiek en het cultuurbeleid de verbeelding aan de macht. Het betekende dat het beleid zich richtte op het scheppen van ruimte voor allerhande vormen van cultuur. Het nieuwe cultuurbeleid hield zich ook bezig met het scheppen van nieuwe kanalen van communicatie tussen kunstenaar en publiek.

 

In de gemeenten vond men de aanknopingspunten voor een nieuw beleid.  Adviesorganen, raden en commissies werden opgericht. Een culturele infrastructuur werd opgezet. Cultuurcentra werden gebouwd in elke gemeente. De verbeelding bleef een decennium aan de macht. Aan het einde van de jaren ‘70 beweerde de overheid dat haar taak op het gebied van kunst & cultuur een zekere afronding had bereikt.

 

Een cultuurbeleid is echter nooit af.

Ook het gemeentelijk cultuurbeleid bereikt nooit een afronding. Willen wij de vervlakking tegengaan, dan moeten wij de cultuur weer dichter bij de mensen brengen.

Het gemeentebestuur heeft een belangrijke rol als bemiddelaar. Bij parenthese wil ik beamen dat de gemeente Koksijde - vooral sedert de tweede helft van de jaren ’90 - een brug wist te slaan tussen kunstenaars en het publiek. Ik heb het hier niet alleen over de reglementering, de subsidiëring, maar ook en vooral over de infrastructuur en de activiteiten.

 

Als je gewoon even doordenkt, dan weet je dat meer vrije tijd inhoudt dat de mens zich kan ontpoppen als de “spelende mens”. De creatieve, spelende mens. Zijn wij cultureel inventief genoeg om die vrije tijd op te vullen?

 

Dit is de taak van de overheid. Wij moeten het echter niet altijd eens zijn met het gestructureerde gezag. Er moet een zekere spanning zijn tussen de vrije creatieveling en de verkozen persoon die het gezag incarneert.

Cultuur heeft een aspect van permanente onrust. De intellectuele mens moet de motor zijn van een culturele beweging die onrust zaait, die nieuwe ideeën aanbrengt in de verschillende disciplines van het leven, ook dus in de puur artistieke.

 

Ik wil mij hier echter beperken tot de literatuur, met het accent op de subsidiëringpolitiek, de taak van de overheid en de functieomschrijving van de (openbare) bibliothecaris Mijn opmerkingen gelden ook ten dele voor onze noorderbuur.

 

Wat is de oorzaak van het onbehagen van zovele schrijvers? Welke zijn hun grieven? Hoe komt het dat auteurs zich groeperen om hun gemeenschappelijke eisen kracht bij te zetten? Is de schrijver slechts een parasiet die het product van zijn fantasie tegen geld verkoopt? 

 

De meeste schrijvers, op enkele oudere succesrijke auteurs na, kunnen niet van hun pen leven. Waar zouden zij overigens van leven?  Van de verkoop van hun werken? De auteursrechten? Wegens de beperktheid van de Nederlandstalige boekenmarkt lopen de oplagen zelden hoog op, zodat de opbrengst in de meeste gevallen niet volstaat om een schrijver fatsoenlijk te laten leven.

 

Penibel is hier de vaststelling dat debutanten en/of auteurs die niet uitgeven bij erkende uitgeverijen uit de boot vallen. Bovendien ondervinden zij weinig steun van de bibliothecarissen die geen of bijna geen boeken van hen aankopen.

 

Het huidige Fonds voor de Letteren keert subsidies voor de literatuur uit in de vorm van subsidies, stimuleringstoelagen en werkbeurzen. De vraag is echter of die uitkeringen correct gebeuren? Ik zoek vergeefs naar een controlemechanisme waardoor enerzijds adviezen van het Fonds kunnen worden bijgesteld of aangevochten en anderzijds de samenstelling van het adviesorgaan kan worden onderzocht op zijn pariteit en integriteit. Of scherper geformuleerd: zijn er voldoende meetbare garanties ingebouwd om enige vorm van belangenvermenging te voorkomen?     

 

Het debuut in de literaire carrière is bijzonder moeilijk. Een auteur zonder naam of faam moet de gunst van een uitgever en die van een publiek zien te winnen. Soms hebben auteurs het geluk door een collega-schrijver met naam ontdekt en beschermd te worden of door een uitgever opgemerkt te worden, die bereid is hun een kans te geven. Maar dit blijven uitzonderingen. De meeste schrijvers moeten op eigen krachten rekenen om zich een weg te banen naar een eerste succes. Deze weg kan soms vrij lang zijn.

 

Opvallend is het feit dat vele auteurs gewag maken van uitgaven in eigen beheer. Dit betrekkelijk hoge cijfer wijst op een bepaalde tendens in de verhouding auteur-uitgever. Er zijn inderdaad duidelijke ziektesymptomen, die het lampje op rood zetten. De schrijver kiest zijn uitgever niet, hij wordt door hem gekozen. Zodra het werk geschreven is, verliest de auteur er de heerschappij over. De lezer interpreteert dit gedoe op zijn eigen manier. De commercie (lees: de uitgever) beslist almachtig over het stoffelijk lot van dat geesteskind.

Hij acht het verkoopbaar, rendabel of totaal waardeloos. Hij behandelt het gewoon als ieder ander commercieel product. Indien het merk (hier dus de naam) al bekend is, zal de verkoop vermoedelijk vlot verlopen. Voor een nieuwigheid is een uitgever echter beducht. 

 

Dit besef van schreeuwend onrecht groeit vooral bij de jongere schrijvers (en bij de ouderen die aan hun debuut terugdenken), omdat zij er het meeste nadeel van ondervinden. Zij hebben immers meestal nog geen naam en hun boeken worden dus niet zonder meer aanvaard.

 

De schrijvers die hun werken zelf uitgeven, geven een eerste aanzet tot ontsnapping aan het uitgeversbedrijf. Het zijn meestal jongere schrijvers, wiens manuscript door een uitgever geweigerd werd en die dus door de bestaande kanalen niet kunnen doorbreken.

 

De literatuur wordt door de overheid stiefmoederlijk behandeld. Zij is vaak niet erg vrijgevig. Zij stelt auteuronvriendelijke voorwaarden. Zij geeft voorrang aan de uitgever boven de auteur, aan de commercie boven de kunst. Ik durf te beweren dat de overheid de literatuur veeleer bemoedert dan wel daadwerkelijk helpt.


De bibliothecaris is de bruggenbouwer tussen de informatie in een bibliotheek en haar bezoekers. Hij zorgt ervoor dat het informatieaanbod van de bibliotheek goed aansluit bij de wensen van de bezoekers en houdt de collectie up-to-date.

Daar wringt het schoentje, beste vrienden! Hoe maakt hij kennis met uitgaven van auteurs die niet bij “gevestigde” uitgevers (met recensie) worden uitgegeven? En indien hij er weet van krijgt, vindt hij het dan belangrijk/onbelangrijk en/of tijdrovend om contact met de auteur te nemen? Wat doet de bibliothecaris indien hij geen recensie toegestuurd krijgt?

Van wie krijgt hij informatie over nieuwe uitgaven? Wat indien hij van de officiële bibliotheekdienst slechts informatie en recensies ontvangt van ingezonden nieuwe boeken door de “grote” uitgeverijen? Besteedt hij ook evenveel aandacht aan informatie hem door de auteur zelf bezorgd? Is het niet wenselijk (menselijk) dat ook (beginnende) auteurs of auteurs zonder grote uitgeverij of auteurs die uitgeven in eigen beheer zich met evenveel respect kunnen wenden tot diezelfde officiële “kanalen”?


Niet de kwaliteit van het werk is voor de (meeste) bibliothecarissen belangrijk, maar wel en uitsluitend de naam en faam van de schrijver.


In mijn bezorgdheid om de “kleine auteur”, van wie ik reeds herhaald in artikels en spreekbeurten een omschrijving gaf, heb ik allicht op zere tenen getrapt, ook van hen die het niet eens verdienen. Excuses. Je mag nooit generaliseren, maar als je boos bent, doe je dit wel vaker.

 

De waarheid is dat elke auteur klein en onbekend begint, maar door geluk, kwaliteit en netwerk soms terechtkomt waar hij wil. Soms, indien de wind gunstig waait, indien de kritiek een handje toesteekt, indien een uitgever commerciële baat vindt… Indien dit niet het geval is, ik bedoel: indien de factor geluk jou in de steek laat, dan ben je verloren voor de “literatuur”.

 

De meeste boeken van de “grote” auteurs liggen in de reguliere boekhandel en zijn vrij verkrijgbaar.  De bibliothecaris die de boekhandel bezoekt, kan het boek effectief in de hand nemen en beslissen of hij het aankoopt of niet.  Ik beschouw de bibliothecaris echter niet als een ambtenaar (of niet alleen), maar ook als een speurneus, een obsédé, een ontvoogder, een vriend van alle auteurs.

Hoe bereikt de kleine auteur de Vlaamse en Nederlandse bibliotheken? Dit is de hamvraag.

 

Soms heb ik de indruk dat “je boek uitgeven in Vlaanderen” een vieze onderneming is. Grote uitgeverijen willen het liefst van hun literaire boeken af. Zeker van hun poëzie, omdat deze maar enkele procenten opbrengt.


Bovendien zijn literaire tijdschriften - dé mogelijkheid bij uitstek voor aankomende auteurs die vaak zelf aan het roer staan - aan het uitdoven. Een schrijver/dichter die nu iets interessants te melden heeft, doet dit nu via het internet.

 

Ik wil de aandacht vestigen op de literaire ongelijkheid waardoor “alle schrijvers niet gelijk zijn voor de wet”. Het kan niet dat elementen zoals leeftijd (debutant of outsider, favoriet of verguisde), uitgeverij (in welke vorm ook: van eigen beheer over print-on-demand tot erkende uitgeverij), mediabelangstelling, vriendendienst, meespelen bij de beoordeling. “Niet alle schrijvers zijn gelijkwaardig”: dit is correct: de ene auteur schrijft beter dan de andere. We weten echter hoe vaak ook hier de subjectiviteit een rol speelt.

Het is moeilijk, maar we geraken er wel uit. De perfectie is (nog) niet van deze wereld.

 

Thierry Deleu

 

Tafelspeech op het banket in de hotelschool Ter Duinen in Koksijde na de voorstelling en receptie van het eerste jaarboek op 3 december 2008.

 

Meesterdichters,

 

Toen ik de chef van een restaurant hoorde zeggen dat hij bij “De 33 Meesterkoks van België” behoorde, - en ik zag hoe zijn ogen straalden -, kreeg ik ineens een inval die tot dit initiatief zou leiden. Ik zou een club van “De 33 Meesterdichters van Vlaanderen” stichten! De kogel was door de kerk; er was geen ontkomen aan: de gastronomie en de kunst van het dichten vonden elkaar en het was liefde op het eerste gezicht! Het aantal “Meesterdichters” werd nadien tot 50 uitgebreid.

Toen ook de roep uit Nederland aanhield, werd het genootschap uitgebreid tot “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee”.    

 

Waar kon het initiatief zich beter thuis voelen dan bij “De Orde van de Scheermesjes”, een ludieke online ridderorde in Vlaanderen en Nederland? Bovendien is het toekennen van de eretitel “Meesterdichter” té arrogant om niet het relativerende adjectief “ludiek” mee te krijgen.

 

Een “Meesterdichter” is iemand die uit bescheidenheid het woord nooit zelf in de mond neemt. Hij of zij beschouwt zichzelf veeleer als de “allerbeste tweederangsdichter”. Het initiatief is een te boek gestaafd pleidooi voor tweederangsdichters, niet omdat zij geen mooie poëzie schrijven, wel omdat ze te weinig aandacht krijgen.

Bovendien zijn er heel weinig echte eersterangsdichters. Het zijn ongetwijfeld de “tweederangs” die mij en de meesten van ons tot de poëzie hebben gebracht. Zoals wijlen Herman de Coninck schreef: “Ik vermoed dat zulks ook voor elke poëzielezer geldt. Je begint niet te vrijen met Brigitte Bardot, je begint met je buurmeisje.”

 

Toen ik zelf nog poëzieles gaf aan jongens en meisjes die daar helemaal niet om gevraagd hadden, vroegen ze mij: “Moeten wij dat kennen voor het examen?” “Neen, voor het leven,” antwoordde ik. Poëzie dient nergens voor en dat is juist haar verdienste! Poëzie hoort niet thuis bij de “Maatschappij tot Nut van het Algemeen”!

 

Dichters streven naar onsterfelijkheid, daar kun je niet onderuit! Zij die zeggen dat ze dichten uit pure liefde voor de poëzie, koesteren deze onsterfelijkheid minder nadrukkelijk, maar even bewust.

 

De eretitel “Meesterdichter” is inhoudelijk een boze reactie - en als je boos bent, is geen overdrijving overdreven - op de discriminerende positie waarin zovele goede dichters zich bevinden. Zij vinden geen uitgever, ze hebben weinig naambekendheid, ze krijgen geen overheidssteun, ze worden weinig gerecenseerd, ze worden slechts sporadisch door de bibliotheken aangekocht, kortom: zij blijven - hoe mooi hun gedichten ook zijn - lokale vedetten die, indien ze enkele persmaatjes hebben, worden opgevoerd als regionaal nieuws.

 

“De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee” eist zelfbewust de aandacht op en verwacht medewerking van iedereen die in het land(schap) van de poëzie aan het werk is. Ik noem ze nogmaals op: uitgevers, de media, critici, de overheid, het privé en de lezers. De 50 dichters maken met elk één gedicht hun opwachting voor een audiëntie bij de daarjuist geciteerde spelers.

 

Als voorzitter van dit exclusieve genootschap, en na overleg met mijn dichtende vrienden uit de geciteerde ridderorde, heb ik geselecteerd uit de toegezonden gedichten. Over de niet gekozen dichters wil ik geen kwaad woord kwijt.

 

Het jaarboek is niet zoals een klassieke bloemlezing, waarin gedichten zijn gebundeld volgens een thema of in het zog van een school, een stroming of een beweging. Het jaarboek kan dan ook niet op deze criteria worden afgewogen en/of afgerekend.

Ik hoop dat de “50 Meesterdichters” in Vlaanderen en Nederland met enthousiasme de boodschap zullen uitdragen: indien elke dichter een gelijke kans krijgt van hen die met de poëzie zijn begaan (of het toch beweren), zullen er geen eersterangs- en tweederangsdichters meer bestaan, maar dichters, goede en minder goede..

 

Tot besluit wil ik de minister van Cultuur uitnodigen om het decreet houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren te herschrijven.

Welke is de positie van de auteur indien het decreet stelt dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen en dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven “in eigen beheer”?

Het Fonds mag zich niet meer lenen tot het ondersteunen van enkel erkende uitgeverijen. Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft).

 

Ik wijs met de vinger naar de grote bedragen voor “grote” auteurs die al hun hele carrière overmatig gehonoreerd worden, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden. Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Kwaliteit is het enige valabele criterium!

 

Wat is het resultaat van de huidige foute subsidiëringpolitiek?

Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “print-on-demand”, stampen e-zines uit de grond, prostitueren zich. Maar blijven gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de overheid leegmelken.

 

Ik kan het probleem niet oplossen. Wie kan het beter dan de auteur zelf, de uitgever, de redacteurs, de overheid, de adviseurs, in een aantal rondetafelgesprekken zoals informateurs doen om een haast onmogelijke regering te vormen met tegengestelde ideeën en belangengroepen. “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee” dient zich aan als gesprekspartner.

 

Thierry Deleu

no comment

22

Dec

De Geletterde Mens

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

DE GELETTERDE MENS  EN THE RAZOR FUSEREN!

(Bericht wordt gepubliceerd in DGM en in The Razor)

 

‘De Geletterde Mens’ is het enige literaire e-magazine in Vlaanderen, dat quasi dagelijks wordt “ververst”. Vlaamse en Nederlandse, over het algemeen minder bekende dichters, schrijvers en essayisten, vooral debutanten, vinden er hun plaats.

De redactie is pluralistisch samengesteld en het ezine propageert geen enkele literaire stroming of strekking van welke aard ook. Zij beoogt vooral debutanten en schrijvers die blijkbaar niet of nog niet als commercialiseerbaar worden beschouwd, toe te laten hun werk voor te stellen aan een breder publiek. Inzendingen worden uitsluitend beoordeeld op kwaliteit en de meeste contribuanten hebben geen persoonlijke relaties met de redacteurs.

De Geletterde Mens werd in het leven geroepen op 1 februari 2007 en blijkt nu (december 2008) levensvatbaar. De redactie vraagt vooral energie en enthousiasme, maar toch ook een zekere financiële investering. De kosten per jaar kunnen ongeveer op 500 euro worden geschat.

Om die  levensvatbaarheid te verzekeren en eventueel de komende jaren de actieradius uit te breiden, heeft De Geletterde Mens ingestemd met een fusie met het ezine tijdschrift The Razor van “The Order of the Razorblades”, een online ridderorde waarover je alle info vindt op www.knightsrazor.com.

 

De redactie van De Geletterde Mens wordt uitgebreid met de ridders en jonkvrouwen, voor wie het vrij staat of zij meewerken onder eigen naam of onder hun riddernaam. Het spreekt vanzelf dat door deze fusie ook aandacht zal worden besteed aan filosofische thema’s, zonder het imago van De Geletterde Mens te bezoedelen of te compromitteren.

 

Je vindt hieronder een klein dossier dat je moet toelaten het nieuwe ezine op zijn relevantie te beoordelen.

 

Groetjes,

 

Thierry Deleu

 

Opzet en doelstelling

‘De Geletterde Mens’ (http://www.geletterdemens.blogspot.com/) is een e-magazine “doorlopend & eindeloos”, gesticht op 1 februari 2007, dat zich exclusief wijdt aan Nederlandstalige literatuur. Het initiatief ontstond uit een spontane opwelling van grijze hersenmassa bij drie redacteurs van het ter ziele gegane lifestyle magazine “Intro” (*). Via technische opstartbijstand van Ludo Geloen, stadsbeiaardier van Ieper en docent aan enkele muziekscholen in de Westhoek, kreeg De Geletterde Mens een embryonale vorm. Het zaad werd kwistig gestrooid en het geletterde wicht verbaasde iedereen door zijn vernuftig zoeken naar volwassenheid.

Eindredacteur Thierry Deleu, die reeds heel wat ervaring opdeed in het milieu en als 65plusser, trekt zich de kommer en kwel aan van de vele debutanten en auteurs die zeulen met eigen beheerproducties en uitgaven bij kleine uitgeverijtjes. “Vooral zij krijgen onze aandacht!”  “Kleine” auteurs met soms “grote” kwaliteiten komen in het literair landschap te weinig aan bod of worden er niet aangezien als volwaardige spelers. Daar zij geen of weinig aandacht krijgen van critici, recensenten en andere scribenten, komen zij ook niet in the picture bij de bibliothecarissen van de lage landen bij de zee. Ook de overheid sluit systematisch deze auteurs uit van subsidiëring, aanmoediging en werkbeurzen.


’De Geletterde Mens’ wil in de eerste plaats een spreekbuis, een uitlaat, een forum zijn voor nieuwe auteurs, debuterende en dakloze schrijvers en dichters, die zoekende zijn of berusten in hun lot. De redactie stelt één criterium voor het plaatsen van creatief werk: kwaliteit!

(*) Intro, Streek, Cultuur & Fijn Nieuws, Fnap Media, 9051 Sint-Denijs-Westrem

 

Redactie

Roland Declerck, Georges de Courmayeur, Jenny Dejager, Peter Deleu, Thierry Deleu (eindredactie), Marleen De Smet, Joris Dewolf, Annmarie Sauer, Marc Vandenbussche, Jan Van Loy

 

Kwaliteit

Aan De Geletterde Mens werken heel wat auteurs mee uit Vlaanderen en ook uit Nederland, onder wie “De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee” (**): Marcella Baete, Bert Bevers, Frans de Birk, Annette van den Bosch, John Broekhuis, Marc Bungeneers, Gunnar Callebaut, Martin Carrette, Greta Casier, Jeannine Debbaut, Lidy De Brouwer, Pierre Declerck, Leni De Goeyse, Jenny Dejager, Thierry Deleu, Luc Demiddele, Ferre Denis, Gwen Deprez, Marleen De Smet, Astrid Dewancker, Germain Droogenbroodt, Fernand Florizoone, Ludo Geloen, Hejatomsma, Patricia Lasoen, Paul van Leeuwenkamp, Frédéric Leroy, Cathy Mara, Mark Meekers, Peter Motte, Edith Oeyen, Ruud Poppelaars, Eric Rosseel, Annmarie Sauer, Maurits Sterkenburg, Pien Storm van Leeuwen, Ina Stabergh, Annemieke Steenbergen, Jet van Swieten, Henri Thijs, Guy Vandendriessche, Yerna Van Den Driessche, Eric Vandenwyngaerden, Jozef Vandromme, Jan Van Loy, Dirk Vekemans, Frans Vlinderman, Katelijn Vijncke, Pom Wolff, Peter Wullen.

 

(**) Project gepatroneerd door “The Order of the Razorblades” en De Geletterde Mens:

“De 50 Meesterdichters van de Lage landen bij de zee”.

 

“De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee” werd gesticht begin jaren tweeduizend op initiatief van “The Order of the Razorblades”.  Het dichtersgenootschap beantwoordt aan de wens van talrijke dichters, die de essentiële waarden van hun creativiteit willen veilig stellen: de kwaliteit van de gedichten, het respect voor elkaar en een broodnodige promotie van de Vlaamse poëzie.

Een hele generatie van gelauwerde dichters bracht de Nederlandstalige poëzie op een nooit bereikt niveau, maar de uitstraling over de grenzen heen bleef schrijnend beperkt. Toch poneren zoveel “buitenlanders” dat de Vlamingen en Nederlanders verkeren “in het  land waar de dichters wonen”. 

“Razor’s Edge Editions” publiceerde op 3 december 2008 een eerste jaarboek, met als titel Hoe de dichter zich een weg geselt tegen wind…

Bereik

De Geletterde Mens wordt gemaild naar een 2.500 personen, instellingen, tijdschriften en ezines. De abonnementen zijn (voorlopig) gratis.

De Geletterde Mens is het eerste en enige ezine dat dagelijks & doorlopend verschijnt.

 

Thierry Deleu,

Eindredacteur

058/514120 - 0478/745498

Zandzeggelaan 18-102 - 8670 Oostduinkerke

 

Info: http://www.geletterdemens.blogspot.com en www.knightsrazor.com

no comment

28

Oct

Thierry en de Kortrijkse Kulturalisten

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Suggesties voor de Kortrijkse cultuurbeleidsmensen!

 

Een stedelijk (gemeentelijk) cultuurbeleidsplan is een evenwichtig en goed doordacht werkstuk. Het is een voorbeeld van een gul en open beleid dat geen enkele doelgroep uitsluit van deelneming. De artistieke en culturele wereld heeft behoefte aan een niet-elitaire opvatting van de begrippen cultuur en kunst.

 

In de loop van een nieuwe legislatuur wordt nogal vaak verkondigd dat de taak van de overheid op het gebied van de cultuur een zekere afronding heeft bereikt. Een pedante uitspraak, maar het voorval typeert ons cultuurbeleid: het wordt gezien als een verzameling van activiteiten die op zeker ogenblik kunnen worden afgerond.

Is dit het geval bij de beleidsmensen van de stad Kortrijk?

 

Onze cultuur is soms haar motivatie kwijt. Het ontbreekt haar soms aan datgene wat de mens verheft boven zijn ikkerig bestaan. Het besef dat de overheid hier een belangrijke rol kan spelen, is de regiegroep en de deskundigen in Kortrijk soms ontgaan. Cultuurbesef, menselijke verhoudingen, cultuuropvoeding en cultuuroverdracht (lees: participatie van het publiek) moeten in een cultuurbeleidsplan centraal staan.

 

Het Kortrijkse culturele beleid mag zich niet beperken tot het creëren van ruimte voor allerhande vormen van cultuur en de presentatie ervan, het moet zich ook bezighouden met het scheppen van nieuwe kanalen van communicatie tussen kunstenaar en publiek. Het beleid moet de hele bevolking bij de opbouw van dit beleid betrekken.

 

De schepen van Cultuur en de culturele dienst van de stad moeten in de praxis ook een sociale politiek toepassen (de toegankelijke infrastructuur, de adviesorganen). 

 

Een cultuurbeleid is echter nooit af. Ook het stedelijk (gemeentelijk) cultuurbeleid bereikt nooit een afronding. We hebben steeds meer vrije tijd. Veel mensen, en vooral veel kinderen, brengen -  en dit is spijtig - het leeuwendeel van die vrije tijd door voor de televisie. Kortrijk moet inzien dat de overheid de cultuur weer dichter bij de mensen moet brengen.

 

Het stadsbestuur heeft ook een belangrijke rol als bemiddelaar. Het zal zich inspannen om een brug te slaan tussen kunstenaars en het publiek. Niet alleen door het organiseren van culturele activiteiten, maar ook, en vooral door het rechtstreeks in contact brengen van die kunstenaars met de bevolking.

 

De culturele actoren in een stad (een gemeente) moeten zich zonder pleinvrees in het midden van het open plein bewegen. En daar dingen doen. Als je gewoon even doordenkt, dan weet je dat meer vrije tijd inhoudt dat de mens zich kan ontpoppen als de “spelende mens”. De creatieve, spelende mens. 

Ook het bestuur moet die tijd mee helpen invullen. Het beleid moet de mensen - ook de ouderen die nog vitaal en creatief zijn - de mogelijkheid geven om hun leven zinvol te maken. Kortrijk moet hier het voortouw nemen!

 

Een stad (een gemeente) is slechts de moeite waard in de mate dat de bestuurders erin slagen een fijnmazig netwerk van contacten en betrekkingen op te bouwen tussen de culturele en de intellectuele wereld. Hierdoor wordt de cultuur geen schouwtoneel van middelmatigheid. Gebeurt dit in Kortrijk?

 

Draagt het Kortrijkse culturele beleid toe tot de vorming van kritische mensen die zelfstandig en vrij hun eigen weg kiezen en gaan? Een stad (een gemeente) heeft een viervoudige functie: een maatschappelijke, een creatieve, een bevrijdende en een kritische functie. Zo blijft het engagement onveranderlijk gericht op de ontvoogding van de burgers inzake mondigheid, vrijheid, gelijkwaardigheid en een kritische instelling. Die functiebeschrijving strookt niet altijd met het culturele beleid in Kortrijk.

 

Thierry Deleu

1 comment

28

Oct

Thierry en het (Kortrijks) onderwijs

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Waar ook en dus ook in Kortrijk:

kwaliteit hoeft geen zuil!

Onderwijspolitiek en onderwijsbeleid

 

1.

Ik was verwonderd (veeleer verbaasd) dat Vlaams minister van Onderwijs enige tijd geleden niet antwoordde op de verklaring van een rechter die beweerde dat “een bepaald onderwijsnet” de betere keuze was. Ook de andere onderwijsnetten (behalve één) en de vakbonden hielden de lippen stijf op elkaar. Nochtans had de minister alle troeven in handen om zijn “ministeriële” mening te ventileren: enerzijds had de rechter in kwestie een deontologische fout begaan en anderzijds zou deze bewering fout kunnen zijn. Zou het bovendien niet beter dat wij een school (van welk net ook) beoordelen of een leerkracht (van welke school ook)? 

Ik dacht dat wij, Vlamingen, een graad van volwassenheid hadden bereikt waardoor “schoolstrijd” en “verzuiling” tot het verleden behoorden. Niet dus.

 

Mag ik even het geheugen opfrissen? Niet zozeer omdat u het, beste lezer, niet zou weten, maar veeleer voor hen die niet hebben deelgenomen aan het maatschappelijk debat over ons onderwijs of geen tijd hebben gemaakt om het te volgen. 

Tot eind van de jaren ‘80 is er in ons land wel heel veel onderwijspolitiek bedreven, maar onderwijsbeleid bleef aan de oppervlakte. Het verwijt kwam van alle kanten, maar de politieke partijen hadden weinig redenen om elkaar te beschuldigen. Het gevoerde beleid was gewoon té politiek, té chaotisch en té Belgisch. De meeste ambtenaren ontging het onderscheid tussen administratie en onderwijsbeleid, de politici vielen veeleer op door beleidsonthouding en personeelsinmenging dan door deskundigheid, de vakbonden ontwaakten op verkeerde tijden, de pedagogen bleven vaak steken in quasi-theoretische beschouwingen, de leerkrachten werden overwegend in beslag genomen door hun dagelijkse arbeid en hun groepsbelangen. Dat gezamenlijk falen moet vooral worden verklaard uit de aanwezigheid van een sociaal en politiek klimaat dat enkel kleine bijsturingen van het bestaande onderwijssysteem toeliet.

In de beginjaren ’90 werd echter - vooral onder impuls van Vlaams minister van Onderwijs Luc Van den Bossche - veel op gang gebracht dat ons hoopvol stemde voor de toekomst. Ik denk onder andere aan het oprichten van een autonome raad voor het Gemeenschapsonderwijs, aan de initiatieven i.v.m. lokaal onderwijsbeleid, aan de opsplitsing van de oude inspectie in inspectie en begeleiding (toevertrouwd aan de verschillende onderwijsnetten), aan de lopende navormingsprojecten. Ik denk eveneens aan enkele belangrijke denkpistes i.v.m. vrijwillig fusioneren en het aanmoedigen van samenwerkingsverbanden tussen scholen en netten (met als onvermijdelijk resultaat schaalvergroting die scholen meer beleidsautonomie zou geven op administratief, financieel en pedagogisch vlak), aan een nieuwe lerarenopleiding.

Deze maatregelen en plannen overschreden met name ver de grenzen van de inrichtende machten die rechtstreeks voor het onderwijs verantwoordelijk zijn. De competitie om een beter prijskaartje (in regeringsonderhandelingen en het nemen van beleidsopties) met andere gemeenschapsbelangen werd steeds feller, vandaar dat ook - en met overtuiging - het economisch belang van het onderwijs werd onderstreept.

In de beginjaren ’90 werd eindelijk ook hardop gezegd dat de distributieve onderwijspolitiek was achterhaald en plaats moest maken voor een constructieve politiek. Dat dit niet zonder slag of stoot kon gebeuren, kan ik als actor - in die tijd was ik kabinetsmedewerker - getuigen.

De distributieve politiek ontstond vanaf de strijd om het recht op formele en materiële vrijheid van onderwijs, die quasi uitmondde in de financiële gelijkstelling tussen rijks- en vrij onderwijs. Het was een politiek waarbinnen de vraag naar verdelende gerechtigheid en het recht van verscheidenheid van levensovertuigingen domineerde. Zo’n overheidsbeleid maximaliseerde de financiële en minimaliseerde de onderwijskundige aspecten.

Om een constructieve onderwijspolitiek te kunnen voeren, dienden de beleidsstructuren te worden herzien. Die herziening behelsde o.m. de structuur van het schoolbeheer, de kwaliteit en mentaliteit van de ambtenaren, de relatie tussen zij die besturen en zij die bestuurd worden, de voor- en nadelen van centralisatie en decentralisatie van het onderwijsbestuur, de opleiding en inzet van directies en leerkrachten, de communicatie en de participatie van de dichtst bij het onderwijs betrokken personen en groepen.

 

Elke onderwijsmens (beleid of werkvloer) weet beter dan wie ook dat onderwijspolitiek, onderwijsbeleid en onderwijsplanning nauw met elkaar zijn verbonden en elkaar ook vaak overlappen. Onderwijspolitiek kan worden gezien als het resultaat van beslissingen van een bestaand politiek systeem dat is opgebouwd uit een netwerk van machtsrelaties en van daarmee verbonden processen, waardoor het systeem zich continueert of wijzigt. De beslissingen die het politieke systeem heeft genomen, moeten worden omgezet in een samenstel van beleidsmaatregelen. Dit totaal van maatregelen vormt het onderwijsbeleid. En daar liep het decennia fout!

 

In onze samenleving moeten de volgende doelen worden verwezenlijkt: ontplooiing van het individu, gelijke onderwijskansen, voorziening in de behoefte aan opgeleide mankracht, efficiënt gebruik van de beschikbare middelen. De inrichtende machten en vakbonden moeten beseffen dat “een goed onderwijsbeleid” nagenoeg niets te maken heeft met kleuren en zuilen, maar alles met het feit dat onze samenleving het zich niet kan veroorloven de omkadering en de kwaliteitsverbetering van het onderwijs te laten bepalen door beslissingen ad hoc. De ideologisering van de planningsgedachte is al te vaak de doorslaggevende factor geweest bij het nemen van onderwijspolitieke beslissingen en bij het uitstippelen van een daaraan beantwoordende onderwijsbeleid.

 

Een onderwijsplan geldt voor alle onderwijsnetten en omvat een omschrijving van de doelen, de onderwijsstructuren, de leerstof en de leermiddelen, een analyse van de condities die vervuld moeten worden om de invoering en de uitvoering van het plan optimaal te waarborgen, een overzicht van het onderzoek dat verricht moet worden, een prioriteitenschema dat aangeeft wat op korte tijd, op middellange tijd en op lange termijn kan worden verwezenlijkt, een kwantitatieve analyse van de vraag naar onderwijs, een kwantitatieve analyse van de kosten van de gewenste onderwijsgroei.

Een onderwijsplan moet dus in grote lijnen bestaan uit een maatschappij-mens-visie, een pedagogisch project en een kosten-baten analyse. Hierin verschillen de onderwijsnetten niet van elkaar. Geen enkel net kan privilegies opeisen of uitzonderingen maken.

 

Evenals in economisch opzicht moet ook onderwijskundig in grotere eenheden worden gedacht (onderwijsregio’s, regionale onderwijsplanbureaus, centraal onderwijsplanbureau). Een geestelijk klimaat van openheid en samenwerking tussen de netten is een technische voorwaarde. Het Vlaams onderwijsbeleid moet er van uitgaan dat de verbetering van het onderwijs alleen tot stand kan komen indien voortdurend gebruik wordt gemaakt van de wetenschap. Onderzoek is onmisbaar in het kader van een constructieve onderwijspolitiek.

Vanaf de beginjaren ‘90 kwam echter ook op dat terrein een gunstige kentering. Ik denk o.a. aan de leerplanontwikkeling, de ontwikkelingsdoelen, de eindtermen, het schoolwerkplan, de vernieuwde werkvormen, de initiatieven i.v.m. de navorming, de discussie over empirisch georiënteerde onderwijsopleidingen.

 

Spijtig genoeg hebben de inspanningen die de onderwijskabinetten toen hebben gedaan om samenwerkingsverbanden te creëren die netten, kleuren en zuilen zouden overstijgen, geen voldoende respons gekregen. De politiek, de vakbonden en de onderwijsmensen hebben de boodschap niet willen begrijpen en de intenties van de boodschappers slecht geïnterpreteerd. Resultaat? De overwegingen en voorstellen die in de jaren ’90 werden geformuleerd over de vormgeving van het beleid kwamen onder het stof terecht.

Ligt daar ook niet het misverstand over de kwaliteit van de onderwijsnetten? Moeten er niet dringend maatregelen komen die bijdragen tot de ontwikkeling van een constructieve onderwijspolitiek in Vlaanderen? Welke maatregelen? Om het eenvoudig te stellen: (kleine) scholen moeten samensmelten, of op zijn minst samenwerken, studierichtingen met heel weinig leerlingen moeten worden samengevoegd tot één aanbod in één school, de infrastructuur (het machinepark b.v.) moet toegankelijk worden voor alle netten en alle scholen binnen een zelfde regio, netoverstijgende activiteiten en initiatieven moeten worden aangemoedigd.

 

Kwaliteit hoeft geen zuil. Naar welke school je kind ook gaat: naar het overheidsnet (Gemeenschap, provincie, gemeente) dat door die overheid wordt gefinancierd of naar het vrije net dat gesubsidieerd wordt indien het de wettelijke verplichtingen naleeft en voldoet aan de opgelegde kwaliteitseisen, je treft in beide netten kindvriendelijke scholen, toegewijde leraars en andere(n). 

 

 

2.

De talrijke reacties op mijn standpunt m.b.t. de kwaliteit van ons onderwijs hebben mij ertoe aangezet een algemeen antwoord te formuleren op de vraag: “Hoe zie jij de hervorming van ons onderwijs?” 

Primo: wij hebben de tekenen des tijd niet kunnen of niet willen verstaan. Dat is in hoofdzaak te wijten aan het feit dat voldoende wetenschappelijk inzicht ontbrak om een onderwijsbeleid van enige allure te kunnen opbouwen.

Laat heeft het beleid de “criticasters” doen inzien dat het economisch belang van het onderwijs, naast het educatieve en culturele, zowel voor het individu als voor de gehele samenleving, niet alleen bepaald wordt door de mate van zijn kosten die nog voortdurend stegen, maar ook door zijn productieve bijdrage tot de welvaart.

Denk erom, dat de competitie om een beter prijskaartje (in regeringsonderhandelingen en het nemen van beleidsopties) met andere gemeenschapsbelangen steeds feller zal worden. De toekomstige ontwikkeling van ons onderwijs is een staatkundige (in casu Vlaamse) aangelegenheid van de eerste rang!

Het onderwijsbeleid moet op positieve en competente wijze zijn aandeel in die competitie leveren. Om dat te kunnen doen, dient de onderwijsadministratie een nieuwe filosofie aan te kleven, die de rode draad wordt in het onderwijsbeheer.

Welk verband bestaat er tussen de economische constellatie en het eigen functioneren?

Secundo: de ontwikkeling van rechtsstaat tot welvaartsstaat en van welvaartsstaat tot welzijnsstaat betekent, dat onze samenleving een veelheid van waarden gaat nastreven en dat de politiek, ook die van het onderwijs, haar doelstellingen moet ontlenen aan een pluriformiteit van maatschappelijke doelstellingen.

Om een constructieve onderwijspolitiek te kunnen voeren, dienen de beleidsstructuren te worden herzien: het schoolbeheer, de ambtenarij, de relatie centraal-lokaal, tweesporenbeleid (centralisatie-decentralisatie), de opleiding, de communicatie.

 

Onderwijspolitiek, onderwijsbeleid en onderwijsplanning zijn niet alleen nauw met elkaar verbonden, maar overlappen elkaar ook gedeeltelijk.

In dit samenspel zijn de volgende actoren van belang: de politiek die is opgebouwd uit een netwerk van machtsrelaties; de beleidsmaatregelen (en de strategie); de relevante informatie (de onderwijsplanning).

Onderwijsplanning mag niet worden gezien als uitsluitend “dienstmeid” van de economische behoeften. Evenzeer moest worden gedacht aan diepte-investeringen. De kwaliteit van onze welvaart (en welzijn) neemt toe als de onderwijsgroei toeneemt. We moeten er mee leren leven dat meer onderwijs niet altijd meer inkomen en een hogere positie op de maatschappelijke ladder tot gevolg heeft.

Een onderwijsplanning die dan weer te fragmentarisch te werk gaat, loopt het risico in fouten te vervallen die dikwijls werden gemaakt bij de achtereenvolgende wijzigingen van ons onderwijssysteem. Bij het ontwerpen van een onderwijsplan moesten alle niveaus van het onderwijssysteem worden betrokken. Partiële structuurplannen, bestemd voor één bepaald niveau, getuigen vaak van een gebrekkige implementatie. Prioriteiten kunnen pas worden gesteld als planmatig is doorgedacht voor het gehele onderwijs.

Een onderwijsplan moet oog hebben voor de doelen, de onderwijsstructuren, de leerstof en de leermiddelen, onderzoek, een prioriteitenschema, gevormde mankracht, de kosten van onderwijsgroei. In één woord: een onderwijsplan bestaat uit een maatschappij-mens-visie, een pedagogisch project en een kosten-baten analyse.

Voor de fasering van de planning denk ik in concreto aan: de les, de klas, de leergang, de school, het lokaal, het onderwijssysteem.

Ik zie volgende fasen: de identiteitsfase (zich informeren over de onderwijsbehoeften);    de ontwerpfase (het omzetten van de informatie in modellen en plannen); de invoeringsfase; de uitvoeringsfase; de evaluatiefase en de generalisatiefase.

Deze fasen moeten expliciet te herkennen vallen in de structurele opbouw van het beleid. Volgens mij is de disfunctionaliteit van de ontelbare commissies, centra, diensten en raden moet voor een belangrijk deel toe te schrijven aan een gebrek aan expliciete fasering. Deze “structuurtjes” praten, schrijven en evangeliseren veel en bovendien in een vacuüm omdat ze niet gedekt worden door een duidelijke onderwijspolitiek.

 

Voor de optimalisering van het onderwijssysteem stel ik een aantal voorwaarden:

De Vlaamse Gemeenschap dient te worden verdeeld in een aantal netoverschrijdende onderwijsregio’s. Deze regio’s zijn subsystemen die functioneren binnen het centraal onderwijssysteem.

In deze onderwijsregio’s is een onderwijsplanbureau gevestigd. (Het onderwijsplanbureau kan ook “regionale raad” worden genoemd naar analogie van de vigerende schoolraad.)

Daar de optelsom van regionale onderwijsactiviteiten onvoldoende een integrale onderwijsontwikkeling garandeert, is het noodzakelijk een centraal onderwijsplanbureau in het leven te roepen.

Inspraak en participatie van de leerkrachten in het beleid zijn belangrijk.

Bovendien moet de kwaliteit van hun opleiding worden verbeterd. Niet de nazorg (bijscholing), maar de voorzorg (opleiding) diende te worden beklemtoond.

 

Onderzoek is onmisbaar in het kader van een constructieve onderwijspolitiek.

Het heeft drie functies:

1° Het ondersteunt de beleidsvorming door het stellen van een diagnose, het signaleren van tegenstrijdige doelen, het adviseren over prioriteiten en middelen ter verwezenlijking van de doelen.

2° Het ondersteunt de beleidsvorming door het belichten van de knelpunten en het signaleren van ongewenste nevengevolgen.

3° Het evalueert het resultaat van het beleidsproces.

Aan hen die zich “gestructureerd” met onderzoek bezig houden, moeten kunnen rekenen op een systematisch programmering van hun activiteiten, op garanties voor continuïteit, op een onderlinge afstemming en coördinatie en op een strategie voor de verspreiding en toepassing van hun resultaten.

 

Vanaf 1991 kwam ook op dat terrein reeds een gunstige kentering (denk aan de leerplanontwikkeling, de ontwikkelingsdoelen, de eindtermen, het schoolwerkplan, de vernieuwde werkvormen, de initiatieven i.v.m. de navorming, de discussie over empirisch georiënteerde onderwijsopleidingen).

Onderwijsonderzoek moet zich dienstbaar maken op volgende terreinen: de pedagogische structuur van het onderwijs; het beheer; de planmatige uitbouw van het onderwijsapparaat.

Met volgende prioriteiten: de doorstroming van de leerlingen; de taak van de leerkrachten; de schoolorganisatie; het schoolwerkplan; het leerplan; de leerstofvernieuwing; methodiek en didactiek; de hulpmiddelen, inz. de audiovisuele middelen.

 

Politici, vakbonden en onderwijsmensen “begrijpen”, vaker dan je denkt, de “goede” boodschap niet. Laat het ons zo stellen: het komt hun niet goed uit! Maar “de aanhouder wint”… is een opsteker voor zachte aandringers als ik. Kleine scholen moeten samensmelten, of op zijn minst samenwerken (tot een kortbije evaluatie tot beslissingen noopt), studierichtingen met heel weinig leerlingen moeten worden samengevoegd tot één aanbod in één school (of in één regio), de infrastructuur (het machinepark b.v.) moet toegankelijk worden voor alle netten en alle scholen binnen een zelfde regio, netoverstijgende activiteiten en initiatieven moeten gul worden aangemoedigd.     

 

Thierry Deleu
1 comment

1

Sep

Thierry nodigt uit

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

UITNODIGING

& verzoek tot aankoop

 

Als voorzitter van het Internationaal Nederlandstalig dichtersgenootschap

‘De 50 Meesterdichters van de Lage Landen bij de zee’

 

nodig ik je vriendelijk uit op de voorstelling van

het eerste jaarboek van ons genootschap

 

op woensdag, 3 december 2008, om 16.30 u., in de raadzaal van

het (nieuwe) Gemeentehuis van Koksijde,

Zeelaan 303

 

IK ZOU JOU (DOL)GRAAG WEERZIEN OP DE VOORSTELLING

EN/OF AAN TAFEL.

VRIENDEN ONDER ELKAAR,

OUDE EN NIEUWE!

 

Programma:

16.30 u.            Verwelkoming door burgemeester Marc Vanden Bussche

16.45 u.            Voordracht gedichten door Ilse Chamon, woordkunstenares

17.20 u.            Kort referaat over “De kleine auteur in de grote wereld van de (Nederlandstalige) literatuur” door Thierry Deleu, auteur

17.45 u.             Overhandiging van de jaarboeken

+ receptie aangeboden door het gemeentebestuur van Koksijde

 

Voor de gegadigden is er mogelijkheid om tegen een effenaf bescheiden bijdrage te tafelen in de gerenommeerde Hotelschool Ter Duinen Koksijde

20 € all-in

(aperitief, voor- en hoofdgerecht, dessert, koffie, water en wijn)

 

Bon opsturen aan Thierry Deleu, Zandzeggelaan 18-102 te 8670 Oostduinkerke

of mailen naar thierry.deleu@skynet.be vóór 25 november,

of bellen op 0478/745498.

 

Ondergetekende:

Adres:

 

zal aanwezig zijn op de voorstelling met…….personen.

q       zal aanzitten aan het poëtisch banket in Hotelschool Ter Duinen Koksijde (warm aanbevolen), met ….. personen.

 

q       koopt ….. exemplaren aan van het jaarboek tegen 13 € +2 € porto per ex.

Het jaarboek wordt na overschrijving opgestuurd.

Rekeningnummer: 000-0900214-54 van Thierry Deleu.

q       Je kunt het boek verkrijgen op de voorstelling. Zo bespaart u 2 € per ex.

 

                                                                                                                        Handtekening,

 

no comment

23

Jun

Thierry’s boekske

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Ook jullie worden verwacht, vrienden van toen en nu!

Lieve lezeres, beste lezer,

Na 3 psychologische romans en een historische roman nu ook een politieroman. De auteur hoopt dat hij opnieuw je leeslust kan prikkelen. Uiteraard krijg je een getekend exemplaar!

THIERRY DELEU

DE DODEN ZWIJGEN NIET

Razor’s Edge Editions
© 2008, Thierry Deleu en Razor’s Edge Editions
Druk: NetcopX Menen
Omslagontwerp en lay-out: Peter Deleu

Na zijn ’Creuse Trilogie’ (drie romans met als decorum de Creuse) en de psychologische roman ‘Klamme handen’, waagt de auteur zich nu aan een politieroman.
’De doden zwijgen niet’ leest als een trein; de spanning jaagt de lezer bladzijde na bladzijde naar de ontknoping; de personages zijn mensen van vlees en bloed. Een verhaal dat gebakken koek is voor een filmscenario.
De moord op informant Maarten Decock is het startsein voor een onderzoek dat gekleurd en fout getekend wordt door leden van de Antwerpse GDA zelf. Sporen die zouden kunnen leiden tot hun betrokkenheid bij drugstrafieken worden genadeloos uitgewist.
Moord en wedermoord is de rode draad in het verhaal.
Met ‘De doden zwijgen niet’ geeft Thierry Deleu duidelijk blijk van métier en een groot inlevingsvermogen. (De uitgever)

Voorstelling van het boek
op zaterdag 5 juli, om 11.30 u.,
in de kok-pit van het (nieuwe) gemeentehuis,
Koksijde, Zeelaan 303

Inleiding: Louisa Goetgebuer
Welkom: Marc Vanden Bussche, burgemeester

Receptie aangeboden door de gemeente

Prijs: 15 €
Over te schrijven op 000-0900214-54 van Thierry Deleu, Oostduinkerke
of te verkrijgen op de voorstelling, waarvoor dank.

 

no comment

13

Jun

Thierry en Philip

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Het hoekje van Thierry

OPEN BRIEF AAN PHILIP HOORNE


Beste Philip,

Ik heb jouw opiniestuk in Knack, 38ste jaargang, nr. 21, met groeiende aandacht gelezen.Veel maten is een aansprekelijke titel, multi-interpreteerbaar: maten zijn mijn vrienden, of op zijn minst mijn kameraden (we hebben dezelfde belangen, zitten in hetzelfde schuitje), maar we worden gemeten en gewogen met twee maten en twee gewichten.
In november 2002 kon ik genieten van je debuutbundel ‘Niets met jou’ (als het openingsnummer in de Sandwichreeks onder redactie van Gerrit Komrij). Gesterkt door een nominatie voor de Vlaamse Debuutprijs besloot je voor je tweede gedichtenbundel een stimuleringsbeurs aan te vragen bij het Vlaams Fonds voor de Letteren. (Een stimuleringsbeurs is een werkbeurs, voorbehouden aan auteurs die maar één literair werk hebben uitgebracht, lezer.) Het VFL besloot je echter “neer te sabelen in plaats van aan te moedigen” en weigerde de beurs. Bovendien was het beoordelingsverslag “vernietigend”.
Ja, Philip, “iedereen in het literaire wereldje weet dat de toekenning van subsidies aan Vlaamse schrijvers geheel subjectief gebeurt.” Inderdaad, Philip, “het VFL bestaat uit zelfverklaarde literatuurpausen.” Waarom de portemonnee nu eens openklapt en dan weer op de knip blijft, is ook voor mij onduidelijk. Ik ben het roerend met je eens dat het “een hemeltergende discriminatie is”.
Zou het niet beter zijn gewoon een ‘Voorstel tot herschrijven van het decreet van 30 maart 1999 houdende de oprichting van een Vlaams Fonds voor de Letteren’ te laten indienen?
Art. 5 van Hoofdstuk II. De oprichting van een VFL zegt dat “Het VFL tot doel heeft de Nederlandstalige letteren … in de brede zin van het woord te ondersteunen en de sociaal-economische positie van auteurs … te verbeteren.”
Onder andere door de toekenning van subsidies? Ja, natuurlijk. Maar welke is de positie van de auteur als het decreet stelt
- dat productiesubsidies alleen door uitgevers kunnen worden aangevraagd en verkregen,
- dat stimuleringsbeurzen niet kunnen worden toegekend voor uitgaven “in eigen beheer”?
Voor een gezond letterenbeleid staat het subsidie-instrument centraal. Maar er zijn voorwaarden: het VFL mag zich niet lenen tot het ondersteunen van enkel erkende uitgeverijen door het toekennen van welke subsidievorm ook. Zo verleggen zij het accent van de auteur (die hulpbehoevend is) naar de uitgeverij (die handel drijft en winst op het oog heeft). Niet de uitgever (tenzij die dezelfde persoon als de auteur) moet worden ondersteund maar de individuele auteur (waar en hoe hij ook uitgeeft, indien het professioneel gebeurt). Alleen het criterium “kwaliteit” is de objectieve norm!
Eén criterium zou moeten gelden: “Indien u een boek schrijft of wilt schrijven (poëzie, roman, essay, biografie), dan kunt u in aanmerking komen voor subsidie van het VFL.”
Voorwaarden:
- toegankelijk voor een breed publiek en geschreven in de Nederlandse taal;
- gepubliceerd in boekvorm;
- verkrijgbaar in de boekhandel (de wijze waarop is niet relevant);
- in een redelijke oplage.

Als auteur hebben wij recht op subsidie. Indien het nieuwe decreet zou stellen dat het de auteur is die moet worden ondersteund en niet de uitgever, dan pas zou de decreetgever zich een aureool van rechtvaardigheid kunnen opeisen.
Natuurlijk moet het decreet ook de uitgever helpen, zoals de overheid andere bedrijven in nood helpt. Niemand zal dit betwisten.
Mijn punt is echter: niet uitsluitend en met het accent op de auteur!
De vraag luidt niet: “Is het echt wel de taak van de overheid om schrijvend Vlaanderen financieel te helpen?” Natuurlijk, maar: “Moet de hulpbehoevende auteur niet eerst en méér worden geholpen?” en “Is deze hulp niet groter of kleiner naargelang van zijn hulpbehoevendheid?” In deze vraagstelling zit terecht een vingerwijzing naar de grote bedragen voor “grote” auteurs, de kleine bedragen (indien ze bij een erkende uitgever onderdak vonden) voor de “kleine” auteurs en de non-subsidiëring voor de auteurs die geen uitgeverij vonden en toch aan de kwaliteitseis voldoen.
Literatuur beoordelen is geen sinecure. Heeft het niet alles met smaak te maken? Wie is een goede auteur? Wat is goede literatuur? Het grote probleem blijft dat 90% van de auteurs zich in een grijze zone bevinden. Hoe verklaar je anders dat auteurs na hun dood worden opgehemeld, die tijdens hun leven aan het kruis werden genageld of niet eens aan de bak kwamen (bij het VFL)?

Dit is het gehele probleem in een notendop, Philip! De overheid heeft de dekselse plicht de auteurs te promoten. Wat als er helemaal geen boeken meer verschijnen en de cultuur, zoals de dino’s vroeger, spoorloos verdwijnt? Wat is het resultaat van deze foute subsidiëringpolitiek? Auteurs zoeken ijverig (en soms vergeefs) naar media-impact en sponsoring, nemen ijverig deel aan wedstrijden, creëren een eigen uitgeverij, storten zich vol overgave op het nieuwe fenomeen “print-on-demand”, stampen e-zines uit de grond, prostitueren zich. Zij blijven echter gefrustreerd toekijken hoe de grote uitgevers, met in hun zog de grote auteurs, de VFL-koe leegmelken.

Deze toestanden hebben niets met “kwaliteit” te maken of met “gebrek aan kwaliteit”. Literatuur moet zich niet verstoppen achter intellectueel struikgewas. Af en toe moet er grondig worden gesnoeid, maar zoals de subsidiëring nu werkt, hebben de “kleine” auteurs zelfs geen recht op een snoeibeurt. Zij worden niet au sérieux genomen door de overheid, hun kwaliteit wordt niet eens gemeten, hun groeiproces wordt niet eens begeleid.

Inderdaad, Philip, het VFL bestaat voor 95% uit professoren en assistenten van professoren en hun vrienden. Kun je van deze mensen een redelijkheidsprincipe verwachten? Of zijn ze geneigd aan elitevorming te doen? Of hebben ze geen voeling met de “werkvloer”? Auteurs moet je in het VFL zoeken met een vergrootglas.
Dezelfde problematiek stel je vast in de subsidiëring van tijdschriften. Sedert 1989 zijn er een kleine 20 verdwenen. Als gevolg van het subsidiebeleid van het VFL, waarbij vooral andere belangen speelden dan zuiver literaire en kwalitatieve. Tijdschriften hadden “geen profiel, te weinig kwaliteit, geen schrijvers genoeg uit de eerste linie”.
“Schrijvers uit de eerste linie”? Wie zijn dat? Ja, die!
Een randbemerking is hier wel op zijn plaats. De tijdschriften zijn blijkbaar geen ladder meer om hoger te komen in het wereldje van de literatuur. Met andere woorden: ze zijn geen onontbeerlijke schakel meer in de ketting van het literaire bedrijf. Het probleem is echter dat de literaire tijdschriften niet meer worden gelezen. (Lees: nog minder worden gelezen dan vroeger!) En wie zijn weer de dupe? De “kleine” auteurs, de “kleine” uitgeverijen. Kranten hebben in hun bijlagen deze taak overgenomen? Larie, wie komen er aan bod, denk je? Gelukkig zijn er nog redacteuren voor wie tijdschriften maken een ziekte is, een obsessie.Wat is het VFL van plan? Bibliotheken overtuigen van de noodzaak om een abonnement te nemen (en nu komt het) op de door het VFL gesubsidieerde literaire tijdschriften.

Ik kan het probleem niet oplossen. Wie kan het beter dan de auteur zelf, de uitgever, de redacteurs, de overheid, de adviseurs, bij elkaar in een aantal rondetafelgesprekken?
Op 22 mei was er overleg tussen de Vlaamse Auteursvereniging en het Vlaams Fonds voor de Letteren over dit onwelriekend potje. Ging het deksel eraf of bleef het erop, Philip?


Thierry Deleu
 
Kommentaar Verdriet van Kortrijk :

Een schrijver heeft helemaal geen recht op manna uit de Staatskas. Afschaffen die subsidiehandel en het VFL met hun zwendel in de ons-kent-ons geldtruken. Of verlagen auteurs en would-be schrijvelaars zich tot het gild van de schooiers en profiteurs ? Aan Phlip Hoorne, die stijf staat van eigendunk en zich als éénoog Koning tussen de literaire blinden waant, werd dus door het VFL een letterkundige ‘zelfbevredigingsbeurs’ geweigerd voor zijn zondagsgedichten die als beneden alle peil werden bevonden. Een wijze beslissing van het Fonds maar Hoorne tiert wild over diskriminatie en racisme. Waarom acht het hautaine charlatanwereldje van Vlaamse pseudo-literaire masturbateurs zich verheven boven ordinaire frituuruitbaters of lange lijnvissers die hun tent sluiten als de klant wegblijft ?  Waarom ? Binnenkort op deze blog, een voorproefje van Hoorne’s zondagsversjes.

 

4 comments

13

Jun

Tempel van Thierry

Posted by walter maes  Published in Thierry's hoekje

Het hoekje van Thierry

Bouwen aan de Tempel van de Mensheid!
Korte historiek en bezinning

Toen.

Het logeritueel heeft op het einde van de 18de eeuw een grote religieuze inhoud. Ook in onze contreien.
Sommigen schrijven de religieuze inslag toe aan het feit dat de pauselijke veroordelingen in onze streken nooit neen wettelijke bekrachtiging kregen. De pauselijke bullen werden tijdens het Oostenrijkse regime nooit in Wenen “geregistreerd”. Anderen beweren dat de bevolking hier geen kennis had van de pauselijke bullen In ‘Eminenti’ (1738) en ‘Providas’ (1751), waarin de Vrijmetselarij werd veroordeeld.
De veroordelingen door Rome werden eigenlijk alleen door religieuze pietjes-precies ernstig genomen. De verlichte katholiek liet zich het pauselijk verbod weinig gelegen.
In 1837 kwam de herderlijke brief van de Belgische bisschoppen die de vrijmetselaars in de ban sloegen. Dat klonk toen zo: “Daarom is het expliciet verboden deel uit te maken van de Vrijmetselarij of ermee te sympathiseren.” Die veroordeling werd door de gelovigen wel ernstig genomen.

Nu.

Vandaag kun je bijna alles lezen over de Vrijmetselarij op internet. Ook de namen van nog in leven zijnde logebroeders komen voort in boeken. Wat opvalt, zijn de broeders die op eigen verzoek of “ambtshalve” in slaap zijn gesteld. “Inslaapstelling” is de maçonnieke term voor (voorlopig) ontslag. Want eenmaal vrijmetselaar, altijd vrijmetselaar!
Zo kwam ik de naam tegen van enkele auteurs, zoals Willy Spillebeen (die vermoedelijk in La Flandre Brugge werd ingewijd), wijlen Johan Ballegeer, die lid is geweest van zowat alle obediënties en finaal in de kerk van Lissewege, volgens de katholieke ritus werd begraven, professor Leo Apostel. (*)

Voor wie vandaag door Kortrijk wandelt, vallen wel enkele maçonnieke sporen waar te nemen. De meeste Kortrijkenaren weten dat de Vrijmetselarij panden heeft op de Houtmarkt en in de Burgemeester Pyckestraat.

De oudste loge in Kortrijk is “L’Amitié”. Zij behoort tot het Grootoosten van België. Zij werd 102 jaar geleden opgericht. Eigenlijk was het een heroprichting, want reeds in 1803 onder Napoleon werd in Kortrijk “L’Amitié” gesticht, in aanwezigheid van afgevaardigden van de Grand Orient de France. Onder de stichters bevond zich Grégoire Le Camus, de toenmalige burgmeester van Kortrijk.
De wissel van het Napoleontisch regime naar Oranje werd door de Kortrijkse Vrijmetselarij goed verteerd. Toen Oranje plaatsmaakte voor een Belgisch koningshuis was de wissel veel moeilijker. In 1833 werden de activiteiten van “L’Amitié” bovendien stilgelegd.
In 1903 kwam dan de heroprichting van deze Kortrijkse Loge, maar het duurde tot 23 november 1906 vooraleer die heroprichting ook effectief werd. Vooral liberale ondernemers uit het Kortrijkse lagen aan de basis van deze nieuwe start.
Tot het midden van de 19de eeuw waren de West-Vlaamse vrijmetselaars meestal bij Gentse loges aangesloten.

België telt ruim 17.000 vrijmetselaars, verspreid over een 300-tal werkplaatsen of loges. Elke loge is autonoom, maar is tegelijk aangesloten bij een obediëntie. De Belgische loges behoren ofwel bij het Grootoosten van België, de Grootloge van België, de Reguliere Grootloge van België (alleen mannen), de Vrouwengrootloge van België (alleen vrouwen) en de gemengde loge Le Droit Humain.

Deze verdeeldheid heeft alles te maken met twee fundamentele vragen: 1. Bestaat God? En 2. Mogen loges zich inlaten met politiek?
De “echte” vrijzinnigen sluiten zich aan bij het Grootoosten. Terwijl de “regulieren” zich nogmaals opsplitsen in “echte” en “geveinsde” gelovigen in een geopenbaarde God.

In het Kortrijkse leven kun je op de duur wel merken wie mogelijk tot de loge behoort. Je komt ze tegen wanneer een en ander vanuit de vrijzinnigheid wordt georganiseerd. Het zijn ook de verdedigers van burgerlijke begrafenissen, crematie, lentefeesten.

Bedenkingen.

Respect voor andermans overtuiging en andermans cultuur is een conditio sine qua non om als een “echte” vrij denkende mens door het leven te gaan. Dit is onomkeerbaar zo voor de vrijmetselaars. Zij zijn de pioniers en voorvechters van deze gedachten.

De belangrijkste vraag is: “Wat wordt bedoeld met respect en vrije meningsuiting?” Is dit het negeren van andermans (afwijkende) mening en/of overtuiging om niet aan “nestbevuiling” te doen? Zijn vrijzinnigheid en vrijdenkerij het alleengoed van “ongelovigen” en “atheïsten”? Hoe kun je nu opkomen voor vrijheid van mening en handelen als je dit recht uitsluitend toekent aan de “eigen groep”?

Respect voor jezelf wensen betekent dat je ook de ander respecteert! Dit is pure logica en toch zijn er zoveel mensen die dit niet (willen) begrijpen. Cultuur is dynamisch en wie met zijn tijd mee wil, moet zich voortdurend heroriënteren en heraanpassen. Wat wil ik hiermee zeggen? Simpel: wie niet bereid is om te evolueren, stelt zich nooit vragen en blijft op zijn standpunt. Stilstand is achteruitgang!

Velen hebben schrik voor verandering of zijn “gehecht” aan de vertrouwde verklaringen. Deze twee categorieën zijn niet zo interessant, soms wel gevaarlijk wanneer zij fundamentalistische trekjes vertonen. Zonder opwaarderen, zonder aanpassing aan plaats, cultuur, persoon en tijd geraakt men de weg kwijt of verbijsterd in gehechtheid. Het resultaat is voorspelbaar: geen tolerantie, theologische verdeeldheid over een levende persoonlijke God, geen eenheid in verscheidenheid, wel fundamentalisme, heerszucht, minachting voor de ander.

Conclusie.

Ik pleit voor een herbronnen van de Vrijmetselarij. Op deze wijze kunnen wij een nieuwe en betere wereld creëren.
Geloof en ongeloof zijn verouderde begrippen. Wie zich niet aanpast aan deze nieuwe werkelijkheid, wordt ofwel oerconservatief ofwel depressief.
Wetenschappelijke verklaringen - hoe juist die ook kunnen zijn - ontsnappen niet aan deze nieuwe werkelijkheid. Alles is in beweging. Het heeft geen zin ons te hechten aan een theorie in weerwil van die verandering, in weerwil van het absolute gezag van de tijd.
In mijn essay ‘Schoon volk in de hemel’ dat verschijnt in het najaar van 2009, na zes jaar onderzoek en literatuur, houd ik niet langer de schijn op van gezag, vooruitgang en beschaving. Ik maak mij los uit mijn “persoonlijk, intellectueel en sociaal failliet” om een nieuw pad te bewandelen. De weg van de kennis, de analyse, de discipline, het respect. Het mag duidelijk zijn dat je met een egobehoefte, met economisch/juridische argumenten, met een conservatieve ethiek, met begrip voor zwakte de wereld niet zult verbeteren. Bouwen aan de Tempel van de Mensheid is “drieledig”: een omslag in ons denken en handelen vanuit substantieel onderzoek, wetenschappelijke nuchterheid en principiële spiritualiteit.

Laten wij bouwen aan een wereld waarin een rationeel/democratisch evenwicht heerst tussen het menslievende verlicht humanisme en het materieel gemotiveerde, traditioneel moralistisch/pragmatisme. Theologie en wetenschap zijn niet persoonlijk genoeg.

De mens worstelt met de morele autoriteit en de uitoefening van de macht. Het heeft problemen als je je de macht toeeigent! Dit ondervindt de Kerk vandaag. Ook gisteren, maar toen was er nog geen charter over de Rechten van de Mens! Zij kon lustig verbannen, inquisiteur spelen, vervolgen, verbranden. Nu moet zij de vrije wil van de mensen respecteren.

De Vrijmetselarij moet hierin voorgaan. Doet zij dit? Doen haar leden dit? Is het zo moeilijk een evenwicht te vinden tussen het kwantitatief individuele versus het sociale en tussen het kwalitatief concrete materiële versus het abstract ideële?

Het morele vingertje lost niets op. Het beste uit een zachte revolutie halen met de mensen die eraan participeren, is beter dan verlichting bij te brengen en hen te willen opvoeden voor een andere wereld. Ik ben niet tegen “verlichting” (kennis) en “opvoeding” (onderwijs) en ook niet tegen “vrij ondernemen” en “vrije organisatie”, maar de morele en maatschappelijke consensus moet worden gevolgd.

Vrije meningsuiting, vrijheid van denken en handelen, tolerantie zijn niet alleen een kwestie van woorden gebruiken en regeltjes toepassen. Ze moeten ook in het dagelijkse leven een praktische uitoefening kennen.
Dit houdt in dat mensen met een verschillend geloof of zonder geloof elkaar overtuigingen toestaan die ze zelf afwijzen. Die ‘erkenning’ mag niet worden verward met de ‘waardering’ van de andere overtuiging. Erkenning heeft te maken met het besef dat men deel uitmaakt van een inclusieve gemeenschap van gelijkgerechtigde burgers.
Bovendien vind ik dat mensen die hun morele overtuiging niet in een uitsluitend profaan deel willen belijden, ook in een sacrale taal aan het maatschappelijk debat mogen deelnemen. Deze sacraliteit is geen alleengoed van de Kerk!

Thierry Deleu

(*) Andries van den Abeele in gesprek met Rik van Cauwelaert (Knack, 38ste jaargang, nr. 21.

2 comments

Search

September 2010
M T W T F S S
« Aug    
 12345
6789101112
13141516171819
20212223242526
27282930  

Blogroll

  • ABIB
  • Bijzonder Cafe ‘De Dageraad’
  • Bijzondere Cafetaria ‘De Dageraad’
  • Biker Claudine
  • Blauw
  • caféblog
  • Carlo Herpoel
  • Caron Bart
  • CDD Muziekforum
  • Claudine
  • Cultuurcentrum Kortrijk
  • Curieuzeneuzen Hoog Kortrijk
  • De Geletterde Mens
  • De Kreun
  • Dolle Mol
  • Erfgoedcel Kortrijk
  • Express Boulevaard
  • Fotoblog
  • Francis Devriendt
  • Gazette van Kortrijk
  • Gedichten startpagina
  • Geert Verbeke
  • Geert Verbeke
  • Geert Verbeke & Jenny
  • Gregorius Nekschot
  • Habbekrats Kortrijk
  • Haiku Geert
  • Happy New Ears
  • HET VERDRIET VAN KORTRIJK
  • Hilde Saltwater Damman
  • HorecaSol
  • Humorologie
  • Inge Deconinck
  • James Desert
  • Jan Coucke
  • Janice Laureyssens
  • Janne Decat
  • Johan Sanctorum, Luc van Balberghe
  • Johan Vandewoestijne
  • Joost Strosse
  • Joris Denoo
  • KORTRIJK
  • Kortrijk bereikbaar ?
  • Kortrijk blogt
  • Kortrijk en de K
  • Kortrijk flying club
  • Kortrijk in beeld
  • Kortrijk link
  • Kortrijk Links Bekeken
  • Kortrijk startpagina
  • Kortrijk webcollectie
  • Kortrijks Handelsblad-Krant van West-Vlaanderen
  • Kortrijks meester-poëtasterin
  • Kortrijkse weblogs
  • Kortrijkwatcher
  • Kunstencentrum Buda
  • Luc Van Braekel
  • Maarten Caesens
  • Marianne
  • Mark Lemaitre’s hoekjes
  • Medium4you
  • Mike Tattoo
  • Museum 1302 Kortrijk
  • Nieuw Pierke
  • Nieuwsblad Kortrijk
  • Nova Civitas
  • P van de A
  • Pé Vermeersch
  • Per Ongeluk Kompostmeester
  • Peter Van Synghel
  • Peter Wullen
  • Philip Hoorne
  • Poëzierapport
  • ProjectoMayonaise
  • Rik Dereeper
  • Speciaal Thierry Deleu
  • Stella Rossa
  • Theater Antigone Kortrijk
  • Thierry Deleu
  • Tine Tunnelt
  • Unie der Zorgelozen
  • Veroniek Lambert
  • Visionair België
  • Vlas Vegas
  • Vlastreffen
  • Vliegtuighaters
  • Vrij van Zegel
  • Vrijdenkende Anonymous
  • Vrijdenker Bernard Decock
  • WALTER MAES
  • Webcam Grote Markt
  • Weblog links 2Link.be
  • Websites
  • Willems Ben

Categories

  • café inwijding
  • dat is kortrijk
  • De Stoel van Kortrijk
  • diepte-interviews
  • een Bekende Kortrijkzaan vertelt…
  • een schepentje schrijft…
  • fijne berichten
  • hoekje van de belleman
  • hoekje van de nachtburgemeester
  • hoekje van kris vanhee
  • hoekje van Lode Bogaerts
  • hoekje van Mijnheerke Frans
  • hoekje van Mike Tattoo
  • hoekje van Sherlock Kris Vanhee
  • hoekje van stadsdichter Rik Dereeper
  • ingezonden stukken
  • K in Kortrijk
  • Kortrijks poëtasterland
  • Kortrijkse figuren
  • Kortrijkse poëzie
  • Kortrijkse weetjes
  • kroniek van de nachtburgemeester
  • Kuns' te Kortrijk
  • Kunst in K
  • kunst in kortrijk
  • lezersbrieven
  • mededelingen
  • misdaadhoekje van Kris Vanhee
  • poëtasterland
  • prijsvragen
  • stadsdichter kortrijk
  • Thierry's hoekje
  • Uncategorized
  • Vergane Grandeur
  • verre reizen op kosten van Joe de Loodgieter
  • waar of onwaar

Archives

  • September 2010
  • August 2010
  • July 2010
  • June 2010
  • May 2010
  • April 2010
  • March 2010
  • February 2010
  • January 2010
  • December 2009
  • November 2009
  • October 2009
  • September 2009
  • August 2009
  • July 2009
  • June 2009
  • May 2009
  • April 2009
  • March 2009
  • February 2009
  • January 2009
  • December 2008
  • November 2008
  • October 2008
  • September 2008
  • August 2008
  • July 2008
  • June 2008
  • May 2008

Recent Posts

  • Duikboot op de Leie !
  • Bei uns in Deutschland
  • Het beste wat Kortrijk ooit overkwam !
  • Kortrijk Webcollectie
  • Socialisme

Recent Comments

  • Adelbert, kunstenaar/nachtburgemeester. on Brasserie ‘Modest’ : la pipe à Martin !
  • Luc on Kortrijk Webcollectie
  • Krist on Drie miljoen leugens van Desmeytere
  • miketattoo on Drie miljoen leugens van Desmeytere
  • Krist on M van Maaik

V.V.K. Statistieken


© 2008 Walter Maes
Theme by Luc 2000 , Bijgewerkt door Dageraadcafe
Valid XHTML | Valid CSS 3.0
Powered by Wordpress